donderdag 29 mei 2014

Joehoeoe!

Het was weer eens een prachtige dag. De zon stond nog steeds aan de strakblauwe hemel en de man zou wel gek zijn als hij niet even, vóór hij ging koken, voor zijn huis op het bankje zou gaan zitten. Met zijn bol in de zon. Had hij zo gedacht. Nee, dat kon zeker geen kwaad. Dus daar zat hij dan, een vroeg biertje erbij, boek op schoot en dan maar kijken wat er zoal gebeurde op straat.
Het gebruikelijke, uiteraard. Buren kwamen thuis, parkeerden auto’s, of gingen nog van huis voor een vergeten boodschap. Sommigen groetten hem. Anderen niet.
Een man liet zijn hond uit. Een kat kroop onder een auto. De onderwijzers van de school tegenover fietsten één voor één naar huis. Groepjes scholieren namen breed uitgewaaierd de hele straat in beslag. Verderop stond een buurman zijn nieuwe kozijnen te schuren. Een vrouw in roze sportkleding rende rood aangelopen langs, met een boze blik in haar ogen, alsof de man er iets aan kon doen. Koolmeesjes en musjes vlogen af en aan naar het vergeten weg te halen voederbolletje. Een moeder met een kinderwagen.
Een groepje meisjes kwam de bocht om fladderen, zo langzaam als mogelijk fietsend. Het waren meisjes van veertien. Ze waren gekleed in sportbroekjes, paardenstaarten en spillebenen. Ze waren druk in een waarschijnlijk nietszeggend gesprek verwikkeld en hadden geen tijd om ook nog om zich heen te kijken. Gelukkig woonde de man in een erg rustige straat. Het kon wel even.
Plotseling riep het meisje dat voorop fietste heel hard en enthousiast achterom: Wíe heeft er zin in morgen?!
En alle meisjes in de colonne achter haar riepen al even luidkeels: Jéééééé!
Het leek wel een ouderwets meisjesboek, al ontbrak dan misschien een joehoeoe!
De man was benieuwd wat de meisjes morgen zouden gaan doen. Maar van hem mocht het nog wel even vandaag blijven. Met zóveel zin in morgen kon er vandaag niet al te veel meer fout gaan, dacht hij.

woensdag 7 mei 2014

Flashback

Steeds groter, werden zijn zonen, en er was niks aan te doen. Het ging gewoon vanzelf. Je hield het niet tegen, zeiden de mensen dan. En dat mocht je ook niet willen natuurlijk, maar de man wilde het soms toch. Daar schaamde hij zich trouwens niet voor ook. Want waarom moest alles maar voorbijgaan de hele tijd? En waarom zo snel? Wat was daar het nut van? Of had het een reden?
Het was heus niet dat hij zijn jongens, nu ze voltijdspubers waren geworden, niet meer leuk vond. Of minder leuk. Welnee, hij blééf er af en toe in, dat zat wel goed, hij amuseerde zich kostelijk. Maar hij vroeg zich ook weleens, meer dan eens weemoedig af waar zijn enthousiaste, immer bedrijvige jongetjes toch plotseling gebleven waren. Zijn mannetjes, die altijd overal zóveel zin in hadden dat het er allemaal niet meer ín leek te passen. Die altijd voor hem uit liepen te rennen en te draven, omdat ze niet konden wáchten. Die overal op en in en overdoor en onderheen moesten. Vol overgave. Dezelfde overgave die nu alleen nog maar was weggelegd voor dingen met een schermpje. Goed, de man gaf het toe, daar werd hij bij gelegenheid dan ook wel eens iets anders dan weemoedig van.
Toch waren ze er heel af en toe nog wel hoor, de kleuters van weleer. Je moest er een beetje geluk voor hebben om het te zien, maar: het gebeurde. Vandaag bijvoorbeeld. Vanwege de vakantie waren zijn vrouw en de man een dagje op stap met hun jongens, en nu liepen ze, zoals dat tegenwoordig vaak ging, twee aan twee, op zoek naar een terras of zoiets. Voorop liep zijn vrouw met de oudste, zij bepaalde het tempo. Daarachter volgde de man met de jongste, die de turbulentste verandering doormaakte, deze dagen. De man moest soms wel twee keer kijken, naar zijn bloedeigen zoon, of hij het wel was. Ook omdat hij zijn markante lange, blonde manen af had laten knippen. Weinig veerkrachtig maar niet onwelwillend liep hij daar, naast zijn vader, wat al mooi was, voor een veertienjarige. Ze passeerden een schoolplein dat met boomstammen en stronken en dikke touwen tot avontuurlijk bedoeld speelterrein was heringericht. En daar was hij dan, vanuit het niets, zijn jongste kleuter. In het stakige lijf van een puber, okay, en met bijna de stem van een man, maar toch: het was hem duidelijk. Met precies dat aanstekelijk enthousiasme van vroeger stortte hij zich op het parcours. Als vanouds vol overgave overal overdoor en onderheen. De man stond erbij en keek ernaar. Heel even overwoog hij zijn vrouw te roepen, dat zij het ook kon zien. Maar toen was het alweer voorbij.

maandag 28 april 2014

Luxeprobleem

Terwijl hij instapte wist de man dat hij het al ergens gelezen had ook: de schoonmakers van de NS waren in staking. Het was de coupé wel aan te zien, en niet alleen de zijne. Tjongejongejonge. Van voor tot achter en van boven tot beneden lag de hele trein bezaaid met oude kranten en al of niet leeggegeten plastic verpakkingen waar van alles of nog wat had ingezeten, van maaltijdsalades en broodjes gezond tot chocolade-ijs en gebak.
Snoepwikkels, soms nog niet eens tot prop verfrommelde papieren zakken, ingeknepen drinkpakjes met een rietje, opengescheurde dozen, plastic boodschappentassen en tasjes, chipszakken, platgetrapte chips, blikjes, plastic flesjes, zakjes drinkontbijt, sinaasappelschillen voor de vitaminen, dropjes, een tandenborstel, een aangevreten croissant. Enzovoort uiteraard.
Halflege, nog nadruppelende koffiebekers hadden grillige en kleverige, zwart geworden sporen over de vloer getrokken. Lusteloos rolden bierflesjes heen en weer op de maat van de rit.
Wat opviel was dat de troep voornamelijk op de grond lag, en verder nog op de trappen en de uitgeklapte tafeltjes stond uitgestald, of op de zitbanken rondslingerde, maar dat de prullenbakken van de trein nou niet bepaald uitpuilden. Sterker nog, de meesten daarvan waren leeg. Dat gaf te denken, vond de man.
In deze treurigstemmende vuilnisbelt moest hij dus een plekje zoeken. Wat hij dan maar deed. Net als alle andere reizigers die onderweg instapten. Een vreemd verschijnsel eigenlijk, overdacht hij. Iedereen accepteerde de situatie zo te zien zoals die nu eenmaal was. Nog niet eens gelaten, ging dat er aan toe. Er kwam geen enkele emotie bij kijken. Goed, er klonk misschien een sporadisch afkeurend geluidje hier of daar, maar de meeste reizigers reageerden maar nauwelijks op wat zij toch ook moesten zien. Wat al te erg in de weg lag schoven ze met een achteloze voet onder de bank en verder deden ze of het er niet was. Alsof er niets aan de hand was. De schoonmakers staakten ja, en dan ziet een trein er zo uit. Dus.
Ze pakten hun mobiel, openden een blikje, of een plastic flesje en haalden een plastic doos met een croissant tevoorschijn. Of met een donut. Of een appelflap.
Grommend dacht de man dat als híj schoonmaker bij de NS was, hij óók in staking zou gaan. En dat hij het dan zou verdommen weer aan het werk te gaan vóórdat iedereen zijn eigen zooi had opgeruimd. Loonsverhoging of niet.

zaterdag 26 april 2014

De vader van Ricardo

Ik heb hem maar één keer héél kort ontmoet, en dat is járen geleden. Toch denk ik nog vaak aan de vader van Ricardo. Altijd als ik mijn voicemail wil afluisteren namelijk, want daar staat hij, in het telefoonboek van mijn telefoon: bij de V, van vader. Vlak boven voicemail, vandaar.
Ik weet dus niet eens hoe hij heet, behalve dan: vader van Ricardo. De naam die kinderen elkaars ouders geven, om er van af te zijn. Hoewel ik ‘de vader van’ zelf altijd als een eretitel heb beschouwd.
Maar goed.
Ricardo was korte tijd een vriendje van mijn oudste zoon, dat die dag voor het eerst bij ons over de vloer lag, om met de playmobil te spelen. Wat nogal bijzonder was, omdat we hier nog maar net woonden, en het dus leuk was dat er meteen al een nieuw vriendje in beeld was.
Zijn vader had Ricardo met de auto gebracht. Omdat Ricardo nou eenmaal niet op de fiets was, maar misschien ook wel omdat hij even wilde zien aan wiens zorg hij zijn zoon zou toevertrouwen. We maakten dus ook een aftastend praatje, zoals dat dan gaat, terwijl onze zonen het spel vast begonnen. Wij waren juist verhuisd, vanuit de grote stad, en ik was als man dan thuis met de kinderen.. onderwerpen genoeg voor wat verkennende vragen. De vader van Ricardo was dan weer net gescheiden en had daar zonder mijn vragen al het nodige over te vertellen. Nee, erg vrolijk was hij niet. Waar het praatje ook iets ongemakkelijks van kreeg.
Bij het afscheid had hij zijn telefoonnummer gegeven, voor als Ricardo eerder naar huis wilde dan nu werd afgesproken. Of voor als er iets anders was. Maar alles verliep voorbeeldig die middag, dus ik had het nummer niet nodig. Ook daarna heb ik het nooit gebruikt. Ricardo was verder eigenlijk altijd bij zijn moeder en bovendien beklijfde de vriendschap niet. Ricardo verdween weer uit beeld. Later zelfs ook letterlijk omdat zijn moeder, met Ricardo en zijn broer maar zonder hun vader, naar de andere kant van het land verhuisde, om met een nieuwe vriend samen opnieuw te beginnen. De vader van Ricardo, hoorde ik nog weer later, heeft het allemaal niet kunnen verwerken en pleegde zelfmoord.
Een triest verhaal, waar ik eigenlijk niets mee te maken heb. Behalve dan dat de vader van Ricardo, omdat ik het oneerbiedig vind hem nu nog te wissen, dus nog altijd in mijn telefoon staat. En ik daardoor nog vaak aan hem denk.
Ik hoop maar dat hij daar wat aan heeft.

donderdag 24 april 2014

Kijk

Zo, de wasmachine stond te draaien, de kop was eraf. De man zat in de tuin, met zijn koffie, een beetje om zich heen te kijken. Hij zat moed te verzamelen om zich zometeen weer in zijn eeuwigdurende verbouwing te storten, op zolder inmiddels. Het was niet dat hij er geen zin in had, maar het was ook niet dat hij stond te trappelen. Dat had hij wel vaker. En met meer.
De tuin was op zijn mooist, deze dagen. Alles zat fris in het groen en vol in de knop en begon onstuimig en veelbelovend uit te lopen. Er zat een snufje zomer in de lucht.
Twee pimpelmeesjes stortten zich zijn blikveld in, zoals pimpelmeesjes dat doen: opeens zijn ze er. Vrolijk hipten en fladderden ze van paaltje naar stokje naar takje. Ze konden gaan zitten waar ze wilden, er was geen takje of stokje zo dun dat het doorboog. Met aandoenlijk draaiende koppetjes inspecteerden ze hoekjes en gaatjes, of er iets van hun gading in verborgen zat. Om te eten waarschijnlijk, er zou wel kroost gevoerd moeten worden. En als er ergens een plekje was waar toevallig geen takje of stokje voor hing, om er even in te kunnen kijken, dan bleven ze er als een kolibri voor hangen, gewoon in de lucht, met bijna onzichtbare vleugeltjes.
De man zat al dat tere gedoe en gescharrel zo’n beetje aan te kijken, stilletjes, om de vogeltjes niet te verjagen, en werd toen overvallen door een duidelijk waarneembaar gevoel van diep geluk.
Kijk, dacht hij, kijk. Als het nou zó makkelijk was, waarom kostte het hem dan toch vaak zo’n moeite?

dinsdag 1 april 2014

Eén beschuitje maar

Het was niet slim om ziek te worden, als huisman. Daar had helemaal niemand wat aan. En jijzelf, als huisman, al helemaal niet. De man wist het ook wel, van andere keren, maar je had het niet altijd in de hand natuurlijk. Dus nu was hij ziek. Gedverdemme.
Als zijn vrouw ziek was, belde ze vanuit haar bed haar werk, dat ze vandaag niet kwam, en morgen misschien ook wel niet, trok de dekens nog eens over het hoofd, draaide zich nog eens om, om er de rest van de dag niet meer uit te komen. Daar was je ziek voor tenslotte, nietwaar.
De man bracht haar dan een ontbijtje op bed, een beschuitje met een kopje thee met honing, een gepeld mandarijntje, een beboterd stukje ontbijtkoek. En in de loop van de dag liep hij regelmatig even naar boven, of ze nog iets anders wilde. Een kopje koffie, een boterhammetje, een glaasje water misschien? Hij luisterde geduldig naar haar gekreun en gezucht en gesteun van waar het allemaal pijn deed wanneer ze wat en hoe bewoog. ’s Avonds bezat hij zijn ziel in lijdzaamheid wanneer ze zielig met een dekentje op de bank naar een hele slechte film met heel veel reclame zat te kijken.
Als zijn jongens ziek waren verliep het ongeveer hetzelfde, al kozen die liever voor het wat zichtbaarder ziek zijn, met hun dekbed en flink veel kussens op de bank, midden in de kamer, waar ook de televisie en de snoeptrommel  binnen handbereik stonden. En ook nu zette de man zijn plannen voor de dag zonder mopperen opzij om zorgzaam met bekertjes karnemelk, beschuitjes  en sinaasappeltjes te redderen. Naar het geweeklaag te luisteren en bezorgd aan voorhoofden te voelen.
Nu de man ziek was, was er niemand die tijd had om hem een beschuitje te smeren, of een kopje thee te brengen. Laat staan met honing erin. Een vluchtig kusje op zijn voorhoofd kon hij krijgen, want zijn vrouw moest gewoon naar haar werk. Dag schat, en sterkte hè. Zijn oudste zoon kwam bezorgd vragen of zijn groene polo al gewassen was, omdat hij die vanmiddag weer aan moest, voor zijn baantje. De jongste bromde cool dat hij zich maar rustig moest houden vandaag en toen de voordeur voor de derde keer was dichtgetrokken, was de man alleen. Alleen met zijn koortsig, onwillig lijf. Niemand die luisterde naar zijn gekreun en gesteun dan hijzelf. Knap chagrijnig werd hij ervan.
’s Avonds, tegen etenstijd, belde dan zijn vrouw. Niet om te vragen of ze misschien iets te eten mee zou nemen, uit de stad, zoals hij opeens even hoopte, maar om te zeggen dat ze iets later was. Dan kon hij daar rekening mee houden, met koken.
Nee, ziek kon je maar beter niet worden, als huisman. Daar had je echt alleen jezelf maar mee.

dinsdag 25 maart 2014

Tja

In zijn eeuwigdurende verbouwing kwam het zo uit dat de man vandaag op zolder met dozen aan het schuiven was. Om ruimte te maken voor weer andere dozen, die ergens anders vreselijk in de weg stonden te staan en die nu, op een andere plaats, waar ook geen ruimte was, een nieuwe plek moesten krijgen. Een ingewikkeld en tijdrovend proces dat nu al jaren aan de gang was op steeds minder oppervlak omdat zijn huis hoe dan ook toch op steeds meer plekken af begon te komen. Of iets dat daar bij in de buurt kwam in elk geval.
Nu was hij dan op zolder op zoek naar dozen die in de nieuw gebouwde kast op de overloop gestald konden worden. In zijn toekomstige werkruimte, die bijna af was. De nieuw gebouwde kast was nog veelbelovend leeg.
Van veel dozen wist hij niet precies wat erin zat. Er stond wel van alles op gekalkt, met halflege stift en links geschreven, maar daar was ook het meeste weer van doorgehaald, met potlood of ballpoint of zelfs alleen een nagel, en de ervaring leerde dat het één noch het ander per se klopte. In de meeste dozen, kortom, kon eigenlijk alles wel zitten. Of niet. Openmaken bleef de beste optie om het zeker te weten.
En zo kwam het dat de man nietsvermoedend een doos opende en onverwacht oog in oog zat met zijn jongste zoon. Een foto uiteraard, want zijn jongste zoon zat in het echt gewoon op school. Een foto van zijn jongste zoon. Toen die zijn lange haren nog had. Toen die nog klein was, en geen puber. Toen die nog wel eens tegen zijn vader aankroop, op de bank, om voorgelezen te worden. Toen die zijn vader nog onvoorwaardelijk zag als de man die alles kon en alles wist en alles durfde. Vrolijk en onverschrokken keek hij, vanuit de doos, zijn vader aan, dwars door de tijd heen.
En ja hoor, dáár werd de man, op zijn hurken tussen de dozen op zolder, overvallen door zijn eigen tranen, en een ontregelend gevoel van heimwee of weemoed of verlatenheid, of alles tegelijk, hij wist het niet precies. Het stemde hem een soort van treurig in elk geval. Want het was misschien nog niet eens zo’n heel oude foto, en verder was er natuurlijk ook gewoon helemaal niks aan de hand, het was alleen zo voorbij. Zo onherroepelijk voorbij.

maandag 17 maart 2014

Sex 'n drugs 'n rock 'n roll

Ze waren een avondje uit geweest, met het gezin. In de hoofdstad. En nu stonden ze in een propvolle tram terug naar de auto, zoals dat gaat in tijden van betaald parkeren. Niettemin was de man in een opperbeste stemming, want niet alleen was het een leuke avond geweest, het was, nu hij sinds kort zijn rijbewijs had, ook zijn debuut als bob vanavond. Dat vond hij ook wel wat hebben. Ja, dat droeg bepaald bij aan de stemming. Niet omdat zijn vrouw nu laveloos naast hem in de bijrijdersstoel in slaap zou vallen, want zo was zijn vrouw nou eenmaal niet, maar omdat hij zichzelf er opeens zo bíj vond horen, op de één of andere manier.
De tram was gevuld met kosmopolitisch uitgaanspubliek. Niet het vroege, ingedronken uitgaanspubliek op weg naar Sodom en Gomorra, maar schouwburgpubliek, na een verantwoorde avond op weg naar huis. Of terug naar de auto natuurlijk. Keurig netjes. Lange jassen, grijze kapsels, beleefde conversaties. Het betere publiek.
Oók in de propvolle tram, in een klein eilandje van leegte, stond een misplaatste, wat mistroostige punker. Of het een jongen of een meisje was, viel niet zo één twee drie vast te stellen, maar de man gokte op een jongen. Een jochie, eigenlijk meer. Een klassiek stijl-icoon, geheel volgens de regels van het genre opgetuigd. Een authentiek stukje 1976, al was de jongen toen voorlopig nog niet geboren. Een rode, schots geruite broek met ritsen op rare plaatsen, een niet al te wit t-shirt met onleesbare opdruk, een zwart leren jas met zelfverzonnen opschrift, zwarte doc martens, afgetrapt uiteraard; her en der een verzameling buttons die de man niet allemaal op zijn gemakkie durfde te gaan staan lezen maar waarvan er ééntje het favoriete sex n drugs n rock n roll memoreerde; en piercings natuurlijk, al was de veiligheidsspeld in de evolutie blijkbaar afgevallen. Zwarte ringetjes en dingetjes door neus, oren, lippen, wenkbrauwen en Sid mag weten waar nog meer. Tussen zijn zwart-omrande ogen was er één een beetje ontstoken. Als kroon op de groezelige verschijning stond een hanekam van zeker dertig centimeter. Al was de fut er een beetje uit inmiddels, zo laat op de avond. Die hing al bijna net zo mistroostig opzij als de punker zelf. Zeer nadrukkelijk stond de jongen er hier niet bij te horen. Alles aan hem was afgewend, behalve zijn rooddoorlopen ogen. Die waren meer neergeslagen, vond de man. Zijn blik was eerder verlegen dan het voorgeschreven boos. Laat staan brutaal.
Eén halte vóór de man en zijn gezin checkte de punker uit. Pieiep. Aan de rand van de stad. Waar op dit tijdstip zéker niks meer te beleven viel, voor een punker. Die woonde hier dus ergens. In een keurige woning. Met keurige ouders.
Zijn zonen hadden de verschijning ook gezien. Vet falend, was het eigentijds oordeel. En, vroeg zijn jongste zoon zich hardop af, wat zouden die jongen zijn ouders daar nou wel niet van vinden? Wat, vroeg hij nu zijn vader af, zou de man doen wanneer dit zijn zoon was geweest?
De man hoefde daar niet over na te denken. Hij zou zijn armen om de afhangende schouders slaan en zijn zoon stevig tegen zich aan drukken. Hij zou hem een zoen op zijn bleke wang geven en zachtjes fluisteren: Jongen toch. Lieve, lieve jongen toch.

vrijdag 14 maart 2014

Met een mens

Opgewekt ging de man op weg, al had hij een reis van twee uur voor de boeg. Met het openbaar vervoer, ook nog. Maar.. hij ging vanavond uit eten met zijn dochter, die hij een tijd niet had gezien, dus hij verheugde zich erop. Lekker een vaderlijk avondje gezellig bijpraten.
Nog geen vijf minuten was hij onderweg of een nogal ontnuchterend omroepbericht gooide roet in het eten. Er was een aanrijding met een persoon geweest, verderop, en het treinverkeer was gestremd. Er reden voorlopig geen treinen naar waar de man moest zijn.
Een aanrijding met een persoon. Dat was een eufemisme, dat wist iedereen. Het had, vond de man, altijd iets vreemds, wanneer dat zo werd omgeroepen. Een aanrijding met een persoon. Het had iets ongepasts, wanneer dat zo weinig discreet over de perrons en door de coupé werd gegalmd. Daar hadden al die passagiers, die dat nu allemaal voor het thuisfront in hun telefoontjes stonden te herhalen, een aanrijding met een persoon, eigenlijk niets mee te maken. Vond hij. Ook vanwege het gemopper en geklaag dat dan op die mededeling volgde. Van mensen die nu een half uurtje om moesten rijden, via een ander station. Of wat langer moesten wachten, op het perron in de zon. Die verontwaardigd niet begrepen dat er na een kwartier nog geen bussen waren ingezet.
Twee meisjes werden zelfs zeer verongelijkt schijtziek van mensen die voor de trein sprongen. Daar konden ze dus echt geen medelijden mee hebben, lieten ze luid en duidelijk horen. Konden die losers er thuis dan geen einde aan maken, waar niemand er last van had. Waar zíj er geen last van hadden.
Nou ja, de man vond het ook vervelend natuurlijk, dat zijn reis nu werd onderbroken. Dat hij eigenlijk beter rechtsomkeert kon maken. En hij vond voor de trein springen nou ook niet echt een discrete manier om het leven te beëindigen. Toch kon hij ook niet anders dan bedenken hoe eenzaam en ellendig iemand zich moest voelen om die sprong te maken. En hoe eventuele achterblijvers zich altijd zouden blijven afvragen waarom. Hoe een machinist iemand al zag staan, en wíst wat er ging gebeuren vóór dat het was gebeurd, maar niets meer kon doen om dat te voorkomen.  Die dat maar moest zien te verwerken. En dan was de man eigenlijk blij dat híj alleen maar een half uurtje hoefde te wachten. En alleen maar weer naar huis hoefde. Naar zijn vrouw, en zijn kinderen. 

woensdag 12 maart 2014

Geen mooie jonge vrouw

In de tram van afgelopen zaterdag zat dus al een mevrouw, met een zeer gewijde glimlach, in het boekenweekgeschenk te lezen. Die was er vlug bij geweest, had de man nog gedacht. Als de kippen, zogezegd. De boekenweek was nog maar net opengeslagen, bij wijze van spreken. Als ze niet uitkeek had ze het al uit voordat ze er gratis mee de trein in kon, want dat kon ook nog, binnenkort, had hij gehoord. Gratis in de trein met een mooie jonge vrouw.
Een spotje op de radio, was dat geweest. Van de NS. En de boekwinkel natuurlijk. De man had zich bij het horen van zoveel joligheid nog afgevraagd of Tommy Wieringa nou de expliciete opdracht zou hebben gekregen een boekje met juist die titel te schrijven. Een Mooie Jonge Vrouw.
Het maakt geen donder uit waar het over gaat, mijnheer Wieringa, dat mag u verder helemaal zelf uitmaken, u bent de kunstenaar tenslotte, als het maar wel: Een mooie jonge vrouw heet. Kunnen we dat zo afspreken? Dan is de opdracht voor u.
Omdat dat zo geinig klonk, voor de pr: Gratis in de trein met een mooie jonge vrouw. Ohlala.
Het zal wel niet, al zou het de man ook niet verbazen, in Nederland kruideniersland.
Maar goed, als de mevrouw niet uitkeek moest ze het boekje nog een tweede keer lezen om er gratis mee de trein in te kunnen, want zo’n mevrouw leek het hem wel. Zeker. Dus hij hoopte maar dat het een beetje de moeite waard was, het boekenweekgeschenk.
Zelf had hij het nog niet. Hij wist ook niet of het er van ging komen. Niet omdat hij iets tegen Tommy Wieringa had, integendeel, maar omdat hij het altijd iets buitengewoon lulligs vond hebben om nou uitgerekend in de boekenweek een boekje te gaan kopen, van twaalf euro vijfenzeventig , voor het gratis boekenweekgeschenk. Daar voelde de man zich toch een beetje.. een beetje te.. ja, een beetje te.. ja, wat eigenlijk? Hij wist het zelf niet eens. Maar hij kon er niks aan doen.

dinsdag 11 maart 2014

Carpe Diem V

Zondagochtend was het, al schoot het al een eind op naar de zondagmiddag ook hoor, maar goed, daar was het zondag voor. De man zat achterin zijn tuin, in het zonnetje. Kopje koffie erbij en een boek op schoot. Zijn gezin was, geloof het of niet, naar de schaatsbaan. Om te schaatsen. De man begreep er weinig van. De hele winter, of wat daar dit jaar dan voor doorging, hadden ze niet naar hun schaatsen omgekeken, maar nu hij godzijdank toch echt duidelijk voorbij was en je eindelijk weer in je hempie in de tuin in de zon kon zitten, moest er plotseling ieder weekend geschaatst worden.
Nou ja, hij trok zich er verder weinig van aan. Net zo min als van alle noeste voorjaars-werkgeluiden trouwens, die onverdroten uit de tuinen om hem heen opklonken. Overal werd geklopt en geveegd en hogedrukgereinigd.
Ze gingen hun gang maar, dacht de man. Zelf had hij ook wel een lijstje met karweitjes, die hij nu zou kunnen doen. Het was zelfs een vrij indrukwekkende lijst. Hij hoorde zijn verbouwing heus wel zeuren. En de ongevouwen was. En allerlei andere plannen. Maar hij zou toch zeker hartstikke gek zijn om nu niet lekker in het zonnetje te blijven zitten. Met een kopje koffie erbij. En een boek op schoot. Morgen was er weer een dag. En je moest maar weer afwachten wat voor weer het dan weer was.

dinsdag 10 december 2013

De Aanslag

Zijn oudste zoon moest een boek lezen, voor school. Nou was dat niets bijzonders natuurlijk, hij zat in drie havo inmiddels dus je mocht toch ook inderdaad hopen dat hij af en toe wat te lezen kreeg. En zijn jongens waren allebei al redelijk fanatieke lezers van zichzelf, de ene Harry Potter was nog niet uit of ze waren alweer halverwege de volgende Grijze Jager, maar nu moest het een boek voor volwassenen zijn. Per se. Een grote-mensen-boek. En dat was een brug die nog nooit genomen was. Een brug te ver ook trouwens, aan zijn gezicht te zien. Of papa iets kon aanraden misschien, was de vraag geweest, weken geleden alweer.
De man had de boekenkast er eens op nagekeken en uiteindelijk was de keus gevallen op De Aanslag, waarvan hij zich ook kon herinneren dat zijn zoon een jaar geleden met een half oog een gedeelte van de film mee had zitten kijken. Een veilige klassieker, niet te dik en redelijk toegankelijk, had de man zo gedacht. Hij meende zelfs behoorlijk zeker te weten dat dit boek al jaren hooggenoteerd stond in de top 2000 van scholieren leeslijstliteratuur. Samen met Ronald Giphart, dus dat was alvast geen dilemma geworden.
De weken erna had De Aanslag al snel een vast plekje op de piano gevonden, met de bladwijzer op een al even vast plekje, tussen bladzijde 10 en 11, of daaromtrent. Als de man soms vroeg hoe het ermee stond, en hoe het boek beviel, kreeg hij een antwoord waaruit zo weinig mogelijk viel op te maken, behalve dat zijn oudste zoon verder níet op zijn bemoeienis zat te wachten. Een boodschap die door de weken heen afnam in subtiliteit, waardoor de man uiteindelijk maar besloot het onderwerp te laten rusten, naast een heleboel andere, en zijn zoon in zijn pubersop te laten gaarkoken.
Tot hij hem op een middag plotseling achter de laptop aantrof, stilletjes doch ijverig tikkend aan wat bij een vlugge vaderlijke blik over de schouder een boekverslag bleek te zijn. Over De Aanslag. Dat moest hij, zo bleek bij expliciete vaderlijke navraag, morgen namelijk inleveren. Dat hij het boek niet gelezen had, zag hij alleen als een bezwaar omdat zijn vader daar zo over door bleef zaniken. Hij had het eerste stuk gelezen én de laatste bladzijde en bovendien had hij een jaar geleden met een half oog een gedeelte van de film mee zitten kijken, dat moest maar genoeg zijn, voor zo’n saai boek.
Belangstellend las de man de samenvatting die zijn zoon geschreven had. Het was inderdaad de samenvatting van het eerste stuk en de laatste bladzijde. Om aan het voorgeschreven aantal woorden te komen had hij het niet eens echt beknopt kunnen houden. Niet alleen had hij het boek niet gelezen, zo bleek uit deze samenvatting, hij had zelfs niet eens de moeite genomen dat te verhullen door bijvoorbeeld een van internet gejatte samenvatting te bewerken.
Dat hij daar dus een vette onvoldoende mee zou gaan scoren, barste de man, niet verdrietig maar boos. En dat hij dat dan ook méér dan verdiend had. En dat hij dat zelf natuurlijk ook wel begreep, hoopte hij tot slot nog dat zijn zoon hier een wijze les van zou leren.
Maar vandaag kwam hij thuis met een zeven.
Voor zijn boekverslag.
Blijkbaar had de leraar Nederlands het boek óók niet gelezen. En óók niet de moeite genomen even een samenvatting op internet te lezen. Die had in zijn tijd waarschijnlijk voor Giphart gekozen.
De man had zijn best gedaan.
En zijn zoon had een wijze les geleerd.

zondag 8 december 2013

De krant van gisteren

Een luide vloek schalde door de ruimte. Tot dan hadden zijn vrouw en de man rustig op hun bestelling zitten wachten, in de vissnackbar. Ze waren een dagje uit geweest, met hun jongens, en hadden bedacht dat ze tot besluit kibbeling zouden eten, omdat hun jongens daar zo dol op waren. Een goede afsluiting dus, van een geslaagd dagje uit. Maar nu dus die knallende vloek.
Onrustig keken zijn vrouw en de man in het rond, wat er aan de hand zou zijn. Zat de plaatselijke alcoholist in een hoekje de sfeer te verzieken? Aan zijn vaste tafeltje wellicht? En zou hij nu met zachte doch besliste hand uit de zaak verwijderd worden? Waren er hanggroepjongeren aan het bekvechten geslagen? Over drugs allicht? Was er onenigheid over de rekening ontstaan, met een modern kortgelonte klant?
Maar nee, het bleek de uitbaatster zelve te zijn die zo luidruchtig haar gram spuide dat ze het buiten op straat waarschijnlijk ook nog wel konden horen. Maar misschien, bedacht de man later, was dat juist de bedoeling geweest, want het ging, zo bleek, over de klanten die de snackbar net hadden verlaten. Zij hadden, foeterde de uitbaatster op hoge toon verder, de krant van vandáág gebruikt om onder de poten van hun wiebelend tafeltje te vouwen. Wat had ze dáár een afschuwelijke hekel aan!
Blijkbaar, maakte de man hier verwonderd uit op, gebeurde dat vaker. Terwijl ze er misschien wel een stapeltje kranten van gisteren naast had gelegd, speciaal voor dit doel.
Asociaal, vond de uitbaatster het in elk geval nog altijd op volle kracht, want zij had die krant nog willen lezen. Verdomme, kwam het hoge woord er uit, wísten die mensen dan soms niet hoe smérig die vloer hier was?

donderdag 5 december 2013

We could be heroes

Een goede keus, zei de man, tegen de meneer achter hem in de rij. Hij stond  met zijn oudste zoon in de kringloopwinkel iets af te rekenen en de meneer achter hem had een elpee van David Bowie in zijn handen. Heroes, om precies te zijn. En dat had de man een goede keus genoemd. Omdat hij nou eenmaal graag een praatje maakte als dat even zo uitkwam, en omdat hij vroeger nogal een Bowiefan was geweest. In zijn eigen platenkast stond een aardig rijtje, bij de B, waaronder ook Heroes, inderdaad. Een goede keus, de meneer dacht het ook wel, voor die ene euro.
Toen bedacht de man dat het eigenlijk vooral kant één was die hij goed vond van Heroes. Dat er op kant twee voornamelijk nogal deprimerende, intellectueel bedoelde elektronische drensmuziek stond die hij vroeger als Bowiefan natuurlijk goed moest vinden van zichzelf maar die hij nu, als hij al eens platen draaide, liever maar oversloeg. Dus dat zei hij dan ook maar tegen de meneer. Dat kant twee wel wat moeilijker was, om naar te luisteren. De man wilde geen teleurstelling op zijn geweten hebben. Maar de meneer wist het al, zei hij.
Eenmaal buiten waren ze teveel in gesprek geraakt om meteen weer weg te fietsen en keuvelden ze nog even door. Zijn oudste zoon stond het gelaten aan te horen, zo ging dat nou eenmaal, wist hij. Over David Bowie en Heroes ging het, en Low, de Berlin Years. Over de nostalgische romantiek van de elpeeverzameling, die nooit weg mocht, en stiekem nog altijd bleef groeien met voornamelijk oude meuk. Over muziek in het algemeen en The Beatles in het bijzonder, die de meneer toch nog altijd de grootste vond. Waarvan  de man dan maar niet zei dat hij dat een wat behoudende opvatting vond, want waarom zou hij de stemming bederven. Al maakte hij er wel wat grappen over, waar de meneer dan wel weer om kon lachen.
Toen het praatje eindelijk klaar was, ging hij met zijn zoon maar weer eens op huis aan.
Goh, vatte die zijn bevindingen samen, jullie moeten vrienden worden.

dinsdag 19 november 2013

Het schip

De buurman had eindelijk zijn huis verkocht. Dus de man maakte een praatje met hem, want ach, nu kon het nog tenslotte, nu ze nog even buren waren. Het praatje bewandelde gemoedelijk de geëigende paden van de moeilijke tijden, via de eindeloze rij kijkers, tot het uiteindelijk aanvaardbare bod. En de spanning en de stress die dat allemaal met zich mee had gebracht, omdat het nieuwe huis al gekocht was.
Om ook wat aan het gesprek bij te dragen herinnerde de man het zich allemaal nog levendig van toen hij zelf.. zeven jaar geleden alweer. En dat hij eigenlijk ook wel een beetje jaloers was, op zo’n heel nieuw begin, in een nieuwe omgeving. Dat hij dat zelf zo spannend en zo leuk had gevonden, zeven jaar geleden.
De buurman knikte vriendelijk meegaand, maar had ook wel wat bedenkingen. Dat er bijvoorbeeld voor een ton verbouwd moest worden, aan het nieuwe huis. Want dat hij het meeste ging láten doen. Omdat hij niet, net als de man, alles zélf wilde doen en dan maar zien waar het schip strandde.
Pardon? Had de man gedacht. Pardon? Maar zien waar het schip strandde? Zó werd er dus over hem gedacht, in de buurt! Heel even voelde hij zich een beetje beledigd. Toen besefte hij dat ze natuurlijk groot gelijk hadden. 

dinsdag 17 september 2013

Maud

Maud! Natuurlijk! Nu wist hij het opeens weer. Maud, verdomd, zó heette ze. Het schoot hem midden op straat en op klaarlichte dag te binnen omdat hij, in een flits, haar broertje zag lopen, aan de overkant. Het menselijk geheugen kende vreemde kronkels, vooral ook dat van de man. Kijk maar, want nu kon hij zich bijvoorbeeld weer met geen mogelijkheid meer herinneren hoezo, waarom en wanneer hij verlegen had gezeten om die naam, Maud. En dat broertje, hoe heette díe ook alweer?

woensdag 4 september 2013

Foei

Vlakbij het strand kwam een jonge vader het goedgevulde voetpad door de duinen afgefietst. Met vlak voor zich zijn zoontje, dapper op zijn eigen fietsje. Ze parkeerden hun fietsen tegen het hek voor een middagje aan zee. De man liep er alleen, en bekeek het tafereel met de licht jaloerse blik waarmee hij tegenwoordig, nu zijn eigen tijd erop zat, alle jonge vaders met kleine kinderen bekeek. Waarschijnlijk had de jonge vader een papadag, zo’n vader leek het de man, maar zo te zien had hij er bar weinig zin in, zo’n vader leek het de man ook wel. Die ging nu met zijn smartphone in de hand zo weinig mogelijk last van die jongen liggen hebben, met dat mooie weer, dacht de man verongelijkt. En dan straks lekker vroeg aan de drank. Maar blijkbaar nam de jonge vader zijn taak als opvoeder toch serieuzer dan zich op het eerste oog liet aanzien, want nu ze beiden waren afgestapt en hij hun fietsen op slot zette, had hij een wat verveeld en bars uitgesproken wijze les voor zijn zoon. Dat het namelijk niet zo netjes was om telkens te bellen, als je op het voetpad fietste. Dat dat niet prettig was voor de andere mensen.

dinsdag 9 april 2013

Getuige

Het was heus niet dat hij de boel in de gaten zat te houden, achter zijn raam. Nee, hij zag het toevallig. Hij zat aan de computer, aan zijn bureau, en dat stond nou eenmaal bij het raam. Vandaar dat hij het zag. Bij toeval. Het was ook niks bijzonders eigenlijk. Gewoon een auto. Een keurig nette, witte, geparkeerde auto, aan het randje van zijn blikveld. De man kende de auto niet, zag hij. Niet dat dat nou zo veel zei, hij kende lang niet alle auto’s in de straat, maar het was niet de auto van de buren. Of de buren verderop. Dat wist hij dan nog wel.
Maar goed, wat het vooral opvallend maakte, was dat er twee jongens in de auto zaten. Opgeschoten jongens, zogezegd. Jongens met petjes, en capuchons. De jongens kende de man ook niet. Scheef- en onderuitgezakt zaten ze in hun auto, en wachtten.
Nou wilde de man er niet meteen wat achter zoeken, want zo wilde hij niet zijn. Al die jongens hadden petjes en capuchons en rijbewijzen en spiksplinternieuwe auto’s tegenwoordig, en verveeld en ongeïnteresseerd waren ze ook bijna allemaal, het waren dus heel gewone jongens. Vond de man dat hij moest vinden. En dat vond hij ook wel, maar toch zat hij de boel nu opeens wel in de gaten te houden, achter zijn raam. Zo was hij dan blijkbaar ook weer, of hij nou wilde of niet.
En zo zag hij dat er even later een tweede auto stopte. Ook een keurig nette, witte auto. Deze tweede auto stopte op de weg, naast de geparkeerde eerste. Hier hadden de jongens duidelijk op gewacht want ze kwamen meteen in beweging. Ze stapten uit en deden de achterklep open. Tegelijk stapten uit de tweede auto een volwassen man, een derde jongen en een meisje uit dezelfde leeftijdscategorie. Het was plotseling een drukte van belang in zijn anders zo rustige straatje. Ook van de tweede auto ging de achterklep open. Uit de achterbak van beide auto’s kwamen nu een aantal traytjes met bloempotjes tevoorschijn. Van die vierkante, wit plastic bloempotjes die met zijn tienen of met zijn twaalven aan elkaar vast zitten. In traytjes. En in elk bloempotje zat een plantje. De man had er weinig verstand van, maar het leken hem zeer onschuldige plantjes. Gewoon, blauwe druifjes of sneeuwklokjes of iets van die aard. Hij zag ook geen verschil tussen de plantjes uit de ene of de andere auto, eerlijk gezegd. Toch gingen de plantjes van de ene auto in de achterbak van de andere. En vice versa. Waarna iedereen weer in zijn eigen auto stapte en om de beurt in de zelfde richting verdween.
Van dit alles was de man per ongeluk, bij toeval, vanachter zijn raam getuige geweest. Hij vroeg zich alleen wel af wáár hij nou in vredesnaam getuige van was geweest.

maandag 8 april 2013

Op het nest (2)

Toch werd de lege nest soep ook weer niet zó heet gegeten hoor, als hij werd opgediend. Want de man kon zich er nou wel bij neerleggen, bij zijn leeglopende nest, hij kon het natuurlijk best als iets onvermijdelijks accepteren, en er dan maar het voordeel van proberen te zien, er zijn voordeel mee proberen te doen zelfs, om zijn eigen gang weer een beetje te gaan.. Hij kon nou zijn eigen plan wel willen trekken, op zoek naar een nieuwe invulling.. de werkelijkheid was natuurlijk weer een stuk grilliger.
Vanochtend, bij het gaan van de wekker, draaide zijn vrouw zich bijvoorbeeld al klaaglijk kreunend en steunend om dat zíj vandaag ziek was. En dat ze de héle dag bleef liggen. In het bed dat hij vanochtend had willen verschonen. In de slaapkamer die hij meteen had willen stofzuigen. Waar hij de was had willen vouwen. En strijken. Voor een lekker fris en opgeruimd, actief begin van de dag.
In de huiskamer, waar hij dan maar wat aan de computer wilde werken, resideerde zijn oudste zoon, even breed- als languit op de bank, met zijn ipod, om in verband met lesuitval pas rond tienen naar school te vertrekken. Met achterlating van de afgegraasde maar niet afgeruimde ontbijttafel uiteraard.
En toen hij om half één thuiskwam met de boodschappen, klaar om wat van zijn middag te maken, hoorde hij buiten de televisie al schetteren en had zijn jongste zoon, die wegens lesuitval een lekker kort dagje had vandaag, alweer bezit genomen van het huis. Met the A team op volle kracht. En nee, iets te eten of te drinken had hij nog niet gemaakt voor zichzelf. Maar trek had hij eigenlijk wel.
En zo voelde de man zijn goede zin langzaam maar zeker onder zich wegzakken. Voor een positieve omgang met het lege nest syndroom was het duidelijk nog veel te vroeg. Zijn nest wás helemaal niet leeg. Het was zelfs niet halfleeg. Het zat eerder een beetje te vol.

woensdag 3 april 2013

Op het nest

Weblog van een huisvader. Het stond er al jaren, boven zijn stukjes, op internet. Tja. Ach, het stelde verder ook niet zo veel voor, dat vond hij nou eenmaal leuk, stukjes schrijven, en het beestje moest een naam hebben. Weblog van een huisvader dus. Stukjes over zijn dagelijks leven als huisman en vader, niks bijzonders. Omdat je het anders maar vergat allemaal, zo onbeduidend. Al jaren deed hij dat. De jaren dat zijn jongens nog peuters, zijn jongens nog kleuters, zijn jongens nog jongetjes waren. Zijn dochter nog een kleine meid. De jaren dat de dagelijkse zorg nog zo’n beetje een dagtaak was. De gouden jaren.
Inmiddels was zelfs zijn jongste zoon, de kleinste van het stel nota bene, al lang en breed een puberende middelbare scholier. En was de man zich geleidelijk af gaan vragen of hij nou eigenlijk nog wel huisvader was. Was hij stilletjes aan gaan denken van niet. Zijn dochter was al jaren het huis uit natuurlijk, daar was hij nu wel aan gewend, maar ook zijn jongens hadden hem eigenlijk niet meer zo heel erg nodig. Niet om hun boterhammen te smeren in elk geval. Niet om pleisters te plakken en kusjes te geven op zere plekken of wandelingetjes door het bos. Niet om hutten te bouwen en schaapjes te aaien en boekjes voor te lezen. De dagelijkse dingen. Zelfs op school, de middelbare school, was hij helemaal nergens meer voor nodig. Daar wisten ze niet eens wie hij was.
En zo stond de man dan een beetje bedremmeld rond te kijken in zijn eigen leven. Want als hij geen huisvader was, wat was hij dan wel? Hij wist het niet zo gauw.
Waarom moest het voorbij gaan, vroeg de man zich af. Waarom zo snel? En wat moest hij nu?
Zijn vrouw zag het met lede ogen aan, haar mans identiteitscrisis. Zij dacht namelijk niet zozeer dat het een identiteitscrisis was, zij dacht dat hij last had van het lege nest syndroom. En dat dacht de man nu ook. Het was een beetje vroeg misschien, zijn nest was nog niet echt leeg, zijn jongen zaten nog een beetje op de rand, hingen nog wat rond, rondom het nest, maar hij vond het wel wat hebben: het lege nest syndroom. Het maakte hem in elk geval weer een beetje een huisvader. Huisvader dan dat zou het wel niet meer worden.