dinsdag 30 juni 2015

Een assistent keramist uit Makkum



Voor elke plaats groot of klein langs het noordelijk deel van het Nederlands Kustpad een limerick. Dat is het idee. Puur voor ons eigen pleizier, al mag er meegelezen worden.
En alles kan daarbij een aanleiding zijn. Een observatie, een gebeurtenis of een ontmoeting. Een uitzicht of een inzicht. Of een gemis, in dit geval. Voor Makkum hadden wij ons al kilometers van tevoren verheugd op het gelijknamige en blijkbaar nogal beroemde aardewerk. Met de bijbehorende fabriek en goedgevulde zo niet uitpuilende etalages en souvenirwinkeltjes.
Het kan aan ons gelegen hebben, maar hoe we ook zochten en dwaalden door Makkum, het enige dat we troffen was een verlaten en spuuglelijk fabrieksgebouw waar de naam Tichelaar nog wel op stond, onder de koeienletters Te Huur, maar waar de Makkummer aardewerkfabriek zo te zien al vrij lang geleden uit was vertrokken. Ernaast stond een weliswaar fraai en stokoud maar al even levenloos pandje een voormalig museum te wezen. En verder was er niets te vinden dat de vooruitgesnelde faam van het Makkummer Aardewerk kon rechtvaardigen. Helemaal niets.
Onze limerick was al af, maar we vragen ons af of hij nog wel relevant is? Of er nog wel aardewerk gemaakt wordt in Makkum?

Een assistent keramist uit Makkum
- ik weet het, want ik sprakkum -
zei: ik deed zó m'n best,
maar ik heb het verpest..
het ging niet expres, maar ik brakkum.

Kijk ook op samenuitenthuis, weblog van een wandeling.

zondag 28 juni 2015

Sil de Strandjutter




















Uit de serie: Geen Kunst
Voor een rondleiding door beeldentuin de Wereld, volg de gids

zondag 21 juni 2015

Malle Pietje




















Uit de serie: Geen Kunst
Voor een rondwandeling door de collectie van beeldentuin de Wereld, volg de gids

vrijdag 19 juni 2015

De â van Ferwâlde



De terrassen lopen gestadig vol, op het marktplein in Workum, deze doodgewone vrijdagochtend. Met wandelaars als wij, aan het begin van de tocht; plaatselijke dames met kleurige brillen, moeilijk haar en gebloemde gewaden, lekker aan het gebak; een wat haveloze zwerver met een verfomfaaid pakje sigaretten, weggedoken in een opeens veel te warme jas; moeders met kinderwagens; een enkele toerist in het Duits al.. iedereen zoekt een plekje in de zon, die we dan ook bijna zomers kunnen noemen vandaag. Wát een heerlijkheid. Maar dat mocht ook wel een keer, vinden wij eensgezind. Het Jopie Huisman museum schiet er daardoor dan wel weer bij in; de zon staat het eenvoudig niet toe. Met een cultureel schuldgevoel gaan wij op pad. Op kerkepad, om precies te zijn, dus dat komt mooi uit.
Via de Tillefonne verlaten we Workum. Een smal en onaanzienlijk steegje waarlangs men dus in vroeger tijden, na de kerkdienst op zondag, gesticht en opgelucht weer huiswaarts keerde, naar de boerderij in het buitengebied. Honderd meter lang is het steegje, zeker niet meer, maar als we erdoor zijn is de beginnende drukte op het marktplein volkomen uit het gehoor verdwenen en kijken we uit over een stil en weids weidelandschap, waar het kerkepad van één voet breed zijn weg door zoekt, van het ene hoge witte bruggetje naar het volgende. Tillen, heten die bruggetjes. Vandaar de naam Tillefonne. Een fonne is dan namelijk weer een stuk land dat niet zo vaak gemaaid wordt. Aan die regel houdt men zich heden ten dage trouwens blijkbaar niet meer: na het tweede bruggetje moeten we eerst even ruim baan geven aan een vriendelijk groetende hooischudder.
Als we ons af en toe omdraaien zien we de kerk van Workum nog lang hoog, maar vooral ook breed boven het landschap uittorenen. Het zal niet eens zo heel veel afwijken van het beeld dat de kerkganger van weleer gezien heeft. Een toren als een deftige tante met een strenge, hooggesloten jurk aan en een mal hoedje op. Een bazige tante, die met haar klokken bepaalde wanneer je ter kerke moest, wanneer het sluitingstijd was voor het café en wanneer je alleen nog met een lamp naar buiten mocht. Maar ook een zorgzame tante, die je waarschuwde voor brand en dijkdoorbraak.
Op de zeedijk richting Ferwoude maakt het kerkepad plaats voor een niet veel breder schapenpaadje, waarop we met kalme belangstelling worden gadegeslagen door schapen wit en zwart, met hun lammeren. Lopend over de dijk hebben we ruim zicht over het uitgestrekte Friese land. Oneindige weilanden, matgroen en geurig van het gemaaide gras, velden rood van zuring, geel van boterbloem en koolzaad, paars en lila van weer andere bloemen, waarvan het niet uitmaakt dat wij de namen niet kennen. De knotwilgen langs de weg schieten ook alweer aardig in het leven.
Hier en daar een statige boerderij, dichtbij of in de licht heiige verte, met oranje dakpannen, zonnepanelen soms, het erf omringd door een jas van bomen.  Aan de andere kant gloort het IJsselmeer. We zien piepkleine zeilbootjes langs de horizon glijden.
Overal zijn vogels in de weer, grutto’s, scholeksters, kieviten.. tureluurs misschien wel.. weten wij veel. Onder iedere dakpan lijkt een spreeuwennest te zitten, goedgevuld met veeleisend grut. Vaders en moeders spreeuw vliegen puffend af en aan. We horen sloten vol kwakende kikkers, we zien de pinken in de wei, insecten en vlinders darren door de lucht.. en alles roept ons toe: het is begonnen! Het is eindelijk begonnen!



Ferwoude is een klein dorpje. Omgeven door een grazig veldje vol grafstenen staat een pittoresk, vers geelgeverfd kerkje uit 1767, gebouwd onder opsigt van de kerkvoogden Pier Binkes en Claas Luwes. Op internet lezen we later dat het kerkje dat hier eerder stond in 1762 werd afgebroken, om de tufsteen waar het mee gebouwd was aan de cementfabriek in Makkum te verkopen. Of Claas en Pier daar beter van zijn geworden, vermeldt de geschiedenis niet, maar het laat zich denken.
Op de basisschool zijn maar liefst twee kinderen geboren. Van de juffen, nemen wij aan. Waarmee de toekomst van de school lijkt veilig gesteld, al vragen wij ons af, wie er nog voor de klas zal staan. Er staan lieve huisjes met tuintjes, in Ferwâlde. Plus een wat nors ogend buurthuis en de timmerwerkplaats van Anne Rinkes Feenstra, die we juist op de fiets zien springen, met de duimstok in de buuze. De buurvrouw vertrekt even later, met een forse printer losjes achterop de bagagedrager. Of dat wel gaat, vragen wij bezorgd, maar we worden niet begrepen.
Veel meer heeft het dorpsleven niet te bieden vandaag. We zitten op een bankje onder een frisgroene es en zien het allemaal gebeuren. Aan een man die zijn kinderen in de auto laadt, vragen we hoe we Ferwâlde uit moeten spreken, als we het goed willen doen. Vooral de â stelt ons voor problemen, dat spreekt. Die wordt een beetje langer dan een a, legt de man ons uit, maar wordt toch net geen aa.
Richting Allingawier gaat het dan. Langs de weg staat als vanouds van alles en nog wat te koop. Eerder passeerden we al een jamfiets en diverse scharreleieren, hier staan een soort manden te koop waarvan we het nut niet één twee drie kunnen raden. De heer des huizes, die ons toevallig net achterop fietst, zo te zien net terug van de bakker, vertelt dat het eendenkorven zijn. Wie er één koopt krijgt een mooie verse groene, roept hij ons nog na vanaf het tuinpad, op weg naar de middagboterham. Inderdaad zagen we er al één in de sloot staan, bedenken wij. Maar hier hangen er ook twee in de boom. De hongerige heer des huizes kunnen we het niet meer vragen, die is al naar binnen. Blijkbaar nestelen eenden ook in de boom, nemen we dan maar aan. Al vragen we ons wel af hoe de pulletjes, die mijn wandelgenoot overigens pijltjes noemt, zo’n hooggelegen nest ooit veilig moeten verlaten.



In Allingawier woont bijna niemand. Het is een museumdorp. Als erin wilt, moet je betalen, al geldt dat hopelijk niet voor de enkeling die er nog wel woont. De route van het Nederlands Kustpad loopt precies langs de kassa. Wandelaars hoeven weliswaar geen entree te betalen, maar mogen dan ook niet het bruggetje over dat toegang biedt aan het dorp. Aan de overkant van het slootje wordt echter koffie verkocht. En drabbelkoek. Maar al hadden wij onze zinnen daar al een tijdje met enig bravoure op gezet, nu puntje bij paaltje komt durven we niet zomaar burgerlijk ongehoorzaam tóch over de brug. Er is helemaal niemand in het museum en de kassa is vijf meter van het bruggetje. We voelen de ogen priemen. We besluiten het dus maar netjes te vragen. En dat loont. Als we belóven níet het museum in te gaan, mogen we een kopje koffie drinken. Opgelucht beloven we het. De drabbelkoek, zo blijkt, wordt ter plekke gemaakt, en is niets minder dan een belevenis.
Langs het Van Panhuyskanaal  tenslotte lopen we richting Makkum. Een rijtje schuiten met zwaarden kondigt de havenstad aan. Makkum ziet eruit als een vriendelijk stadje met veel water. Leuke kleine huisjes die een zekere rijkdom verraden, fijn geornamenteerd en goed onderhouden. Maar hoog overschaduwd door een enorme loods van golfplaat die het historisch straatbeeld kaarsrecht en zonder enig gevoel voor verhoudingen afvlakt, dichtplamuurt. De Vries Makkum, staat er met brutaal grote letters op te lezen. Een scheepswerf, zoals blijkt. Als we er op een terras vlak naast zitten, zien we er met enig gedoe een wanstaltig jacht in verdwijnen. Een wit glimmend oorlogsschip, met een flinke batterij radar-achtige bollen bovenin. Zelfs het jacht steekt boven de huizen uit. Het beroemde Makkummer aardewerk, waar we nota bene nog even naar op zoek zijn, krijgen we nergens te zien.







Een etappe van het Nederlands Kustpad #3, van Workum naar Makkum, gelopen op vrijdag 22 mei 2015. Kijk ook op samenuitenthuis, weblog van een wandeling.

woensdag 17 juni 2015

P



De doctorandus is dood. Het is geen nieuws meer, iedereen weet het. Ik ook.
Op allerlei plekken op internet wordt hij geëerd en geroemd, en terecht natuurlijk.
Ook zag ik ergens een oproep om, als ode aan de uitvinder ervan, een Ollekebolleke te schrijven. Ik zag ook al Ollekebollekes opduiken hier en daar. Een sympathiek idee, vond ik het. Al moet ik wel bekennen dat ik niet meteen helemaal precies wist hoe dat dan ook weer in zijn werk ging, zo'n Ollekebolleke. Maar daar hebben we Wikipedia voor nietwaar. Nou, dat viel nog niet mee. Daar zaten nogal wat haken en ogen aan. Een stuk ingewikkelder dan de Limerick, dat is zeker. Maar goed. Wie A zegt enzovoort. Hieronder mijn bijdrage. Op Wikipedia kunt u controleren of het een beetje klopt, of niet.

Godallemachtig man,
ollekebollekes!
Ga er maar aan staan zeg..
wat een idee!

Pér regel twéé regels..
Ontegenzeggelijk
Hóllandse dichtvorm van
zekere P

Een koekenbakster te Allingawier




Voor ieder plaatsje, stad of dorp langs het noordelijk gedeelte van het Nederlands Kustpad, hadden wij bedacht, zouden wij een limerick maken. Een wandellimerick. Naar aanleiding van een ontmoeting, een observatie, een gebeurtenis of wat dan ook. Drs. P zou het niets gevonden hebben waarschijnlijk, die hield niet van limericks, naar verluidt, maar wij hebben er erg veel pleizier in. Dus wie doet ons wat?
Zo kwamen wij dan ook door Allingawier, een dorp waar niemand woont. Een dorp met een kassa, waar je langs moet, om erin te mogen. Een museumdorp.
Als wandelaars van het Kustpad mochten wij de kassa zonder betalen passeren, maar dan mochten wij dus niet het bruggetje over, het dorp in. Wat jammer was omdat aan de overkant koffie werd verkocht, op een terrasje in de zon. Met drabbelkoek, ook nog. Precies waar wij zin in hadden.
Gelukkig kregen we op beleefde aanvraag speciale toestemming het bruggetje tóch over te steken, als we dan maar wel beloofden niet het dorp zelf in te gaan. Wij beloofden het en maakten aldus kennis met de Drabbelkoek, die, zo bleek, ter plekke werd gebakken. Of moeten we zeggen gefrituurd?

Een koekenbakster te Allingawier
bakte haar koeken met veel plezier,
ze waren bros als beschuit,
maar het vet droop er uit..
Dát is écht drabbelkoek, sprak ze fier.

maandag 15 juni 2015

De man in huis

De middag liep op zijn einde. En in ons moderne, geëmancipeerde gezin, waar de rollen al sinds jaar en dag zijn omgedraaid, ben ik dan in de keuken in de weer. Zoals het een goed huisvader betaamt. Met broccoli, lof, schorseneren en prei. Sla, tomaten en radijsjes. Nee, knolraap komt er bij mij niet in.
Maar al doende wachtte ik ook een klein beetje op mijn vrouw, de kostwinner, die nu toch wel bijna thuis zou komen, van haar werk.
Ik was namelijk nogal in mijn nopjes omdat ik boven met de verbouwing was begonnen, vandaag. De afgelopen week had ik al wel flink wat heen en weer gesjouwd, met bedden en buro’s en linnenkasten, om één en ander helemaal leeg te krijgen en de bovenverdieping zodanig te reorganiseren dat er verbouwd kon worden, zonder in te leveren op het aantal slaapplaatsen in huis. Maar vandaag had ik dan een begin gemaakt met het strippen van plafond en wand. Enorme hoeveelheden zachtboard, schrootjes en gipsplaat had ik verwijderd. En daarbij was ik dan op een leuke verrassing gestuit. Een tot nog toe achter zachtboard, gipsplaat en schrootjes verborgen gebleven origineel detail, waarvan ik nu erg benieuwd was wat mijn vrouw ervan zou vinden.
Vandaar.
Daar zag ik haar de auto al inparkeren.
Mij verkneukelend wachtte ik boven de pannen op het geluid van de voordeur om haar meteen mee naar boven te nemen, en haar mijn vorderingen en vooral ook mijn ontdekking te laten zien.
Maar het geluid van de voordeur bleef uit, want in plaats van uit te stappen, zag ik nu, zat mijn vrouw in de stilstaande auto te appen. Over haar schermpje gebogen zat ze ijverig te tikken, in de onmiskenbare houding met de bekende gebaren, en had geen oog voor de buitenwereld. Haar man, die achter het raam ongeduldig stond te wachten en nu maar weer terug liep naar zijn pannen, en zijn aanrecht.
En toen ze minuten later eindelijk wél binnenkwam, en naar mij toeliep in de keuken, kreeg ik niet de kus die ik verwachtte maar moest mijn vrouw eerst nog een paar keer bellen, voor haar werk, en nog wat appjes versturen. Met haar telefoon aan de lader, omdat haar batterij leeg was. De lader in het stopcontact boven het aanrecht, waar hij om één of andere reden altíjd in zat.
Dus daar stond mijn vrouw. Te bellen en te appen. Voor haar werk. Mídden in mijn keuken, leunend tegen míjn aanrecht, zónder aandacht voor mij en vréselijk in de weg.
Zuchtend en mopperend redderde ik een beetje om haar heen, om de benodigde potten, pannen en schalen vanachter haar weg te pakken.
Of dat per se híer moest, liet ik mij uiteindelijk bars ontvallen.
Waarop zíj met een geërgerd gebaar de lader uit het stopcontact trok en snuivend naar elders beende, de neus in de wind.
Wat míj dan weer in het verkeerde keelgat schoot zodat ik, zoals dat ook in een omgedraaid goed huwelijk gaat, háár weer iets hatelijks nariep over eíndelijk thuis, áltijd maar bellen, dat eeuwige appen, een béétje belangstelling en éven gedag zeggen.
Je lijkt wel een vént, riep ik tot besluit.
Waar dát nou vandaan kwam.. ik weet het ook niet.
Ik lijk verdorie wel een wijf.


Dit is een bewerking van een eerder op dit weblog gepubliceerd stukje. Ik las het deze week voor als column op de lokale radio.

zondag 14 juni 2015

Ze gingen volledig door het lint




















Uit de serie: Geen Kunst
voor een uitgebreide rondwandeling door beeldentuin de Wereld, volg de gids

woensdag 10 juni 2015

Men nam een afwachtende houding aan




















Uit de serie: Geen Kunst
Voor een uitgebreide rondwandeling door beeldentuin de Wereld, volg de gids

zaterdag 23 mei 2015

Een basisschool te Ferwâlde


























Toen op een basisschool te Ferwâlde
de twééde juf van een kind bevâlde
stond er, hoe leuk het ook was,
géén juf meer voor de klas,
waar de inspectie dus stevig van bâlde.

Kijk ook op samenuitenthuis, weblog van een wandeling.

vrijdag 22 mei 2015

The usual suspects




















Uit de serie: Geen Kunst 
Voor een bezichtiging van de gehele collectie, volg de gids

vrijdag 15 mei 2015

Multikul

Er bleef eigenlijk maar een smal stukje stoep over, voor de supermarkt, tussen de gestalde fietsen en de geparkeerde auto’s. Té smal, dat zag ik meteen.
Van één kant kwam een jongen met een maar nauwelijks gevuld, en op de ongelijke stoeptegels moeilijk bestuurbaar winkelwagentje. Het was een jongen van een jaar of dertien, veertien.. twaalf.. en hij zag eruit als jongens van die leeftijd eruit zien: gympies, afgezakte broek, t-shirt met letters en een leren jekkie. Als je hem moest omschrijven zou je er nog bij zeggen: het was een Turkse jongen, al was hij waarschijnlijk gewoon in Nederland geboren.
Hij had een boodschapje moeten doen, voor zijn moeder, en daar had hij geen zin in gehad, dat was duidelijk te zien. Met puberale overdrijving hield hij het hoofd, het hele bovenlijf mismoedig over zijn kar gebogen, alsof de boodschap het laatste van zijn krachten had gevergd. Met zijn blik terneergeslagen op de stoep zag hij niet wie er van de andere kant kwam.
Ik zag het wel.
Het was een nog net niet bejaard maar hoogstwaarschijnlijk wel gepensioneerd echtpaar met een grote boodschappentas. Het was een zéér Nederlands echtpaar. Ze waren volledig opgetrokken uit oerdegelijk beige, makkelijke schoenen en praktisch haar. Het was de generatie van wie vaak gezegd wordt dat die ons land met eigen handen heeft opgebouwd. In hoogsteigen persoon.
Breeduit liepen ze naast elkaar, over de hele stoep, en keken fier, recht door zee vooruit. Ze zagen de jongen, de Turkse jongen, dan ook ruim van tevoren al aankomen, met zijn bijna lege kar en zijn neergeslagen blik op oneindig, maar daar gingen ze niet smaller van lopen. Dat waren ze níet van plan. Het was hún stoep, tenslotte. Tenminste, dat vermoed ik.
Hé! Aap! Riep de vrouw van het echtpaar, vlak vóór de aldus nog maar nét vermeden botsing. Kun je niet úitkijken of zo?
De jongen keek geschrokken op uit zijn sombere overpeinzingen.
Ben jij wel goed bij je hóófd? Viel de man zijn vrouw eensgezind briesend bij. Waarom loop je récht op ons af?
De jongen wist het ook niet. Hij sputterde iets van sorry, wat voor een puber nog vrij beleefd is, en dat hij naar de grond keek, toch? Dat hij ze daarom niet aan had zien komen, de meneer en de mevrouw.
Het echtpaar verdween onverminderd verontwaardigd, op hoge poten mopperend de supermarkt in, met hun nog lege grote boodschappentas.
De jongen ging nog even mismoedig naar huis, naar zijn moeder, met de vergeten boodschap.
En zo was ík dan dus, héél in het klein, getuige van het multiculturele drama, waar de laatste jaren zoveel ophef over is, in ons land.


Dit stukje stond al eerder op dit weblog. Ik las het deze week voor op de lokale radio, als column van de week.

woensdag 29 april 2015

Straathoekwerker




















Uit de serie: Geen Kunst
Voor een uitgebreide rondwandeling door beeldentuin De Wereld, volg de gids

dinsdag 14 april 2015

Ik stik..




















Uit de serie: Geen Kunst
Voor een uitgebreide rondwandeling door beeldentuin De Wereld, volg de gids

zaterdag 11 april 2015

Even geduld aub

Met gepaste tegenzin stapte ik deze week binnen bij de apotheek. Je komt daar ook niet voor je plezier natuurlijk. Je komt er dingen halen die je eigenlijk liever niet nodig zou hebben, en het kost vaak nog een hoop geld ook. Maar goed, je hebt het niet altijd voor het zeggen.
Nummer 35, was ik. Want bij de apotheek ben je een nummer. De teller boven de balie stond op 30. Er waren vijf wachtenden voor me.
Bij de supermarkt zou direct een extra kassa worden geopend. Waarschijnlijk omdat de supermarkt bang is dat klanten, wanneer ze telkens heel lang in de rij  moeten staan, de volgende keer naar een andere supermarkt gaan. Want dat kan, in het geval van supermarkten. Er zijn er genoeg.
Bij apotheken was dat anders, wist ik. Bij de apotheek ging dan ook nooit een extra kassa open. Er waren vijf balies, met grote cijfers, van één tot vijf, zodat je je niet kon vergissen in het aantal, maar drie van die balies waren er waarschijnlijk alleen voor de sier. Als er bij de apotheek vijf wachtenden voor je waren, kon je er maar beter een stoel bij pakken. Als er nog één vrij was tenminste.
Bij een eerder bezoek had ik eens nummer 97 getrokken, met 90 op de teller. Verspreid over de ruimte zag ik landerige wachtenden, onderuitgezakt op stoelen, doelloos slenterend tussen de schappen en ongemakkelijk leunend op vensterbanken. Er zat duidelijk héél weinig beweging in de gang van zaken. Ik besloot toen dat ik dáár geen zin in had, en vertrok naar de supermarkt, om boodschappen te doen. Met mijn volle tas op weg naar huis, wilde ik het toch nog maar eens proberen, bij de apotheek. Het moest tenslotte toch een keer gebeuren en misschien was het inmiddels wat rustiger. Ik fietste dus weer terug. De teller boven de balie stond inmiddels op 95 en ik kon, met nummer 97 nog in mijn zak, gewoon doorgaan met wachten, alsof er niets gebeurd was. Wat ook bijna zo was, natuurlijk.
Maar goed.

Deze keer had ik nummer 35, hoefde ik geen boodschappen meer te doen en zat er niks anders op dan mijn ziel in zaligheid te bezitten. Er waren vijf wachtenden voor me, en al onze medewerkers waren in gesprek. Met elkaar ook vooral, want dat is het leuke bij de apotheek, het is een grote, open ruimte met heel veel glas, dus dat kun je daar allemaal zien. Of je wilt of niet, terwijl je staat te wachten kun je zien dat achter de vijf balies, waarvan er drie gesloten zijn, zeker acht medewerkers zéér bedrijvig heen en weer dribbelen. Sommigen met papier in hun hand, anderen zonder. Sommigen praten met elkaar, anderen dribbelen naar achter, waar je ze niet meer kunt zien. Sommigen staan gedurig aan de telefoon, lachen daarbij uitbundig en tikken daarna weer verder op de computer.
Niemand van al deze medewerkers lijkt echt te merken dat er mensen staan te wachten. Heel soms loopt er één even naar de balie, om iets te vragen aan de klant die daar staat, maar ook als je aan de beurt bent, moet je nog wachten.
Na geruime tijd mocht ik naar voren komen. Een mevrouw vroeg mijn naam, mijn adres en geboortedatum. Daarna bleef het stil. De mevrouw keek ondoorgrondelijk op haar scherm.
Wanneer had ik mijn receptje ingeleverd, vroeg ze toen, een beetje kortaf. Strenge ogen priemden mijn kant op.
Twee dagen geleden, antwoordde ik naar waarheid, want dat was de bedoeling, dat wist ik heus wel.
Maar nu zag de mevrouw dat het recept pas ‘s middags was doorgemaild. Dus, klonk het onverbiddelijk, kon ik mijn medicijnen ook pas ’s middags af komen halen. Want er stonden twéé héle werkdagen voor de procedure.
Ik keek op de klok.
Het was kwart voor twaalf.
Als ik nu meteen een nummertje trok, was ik vanmiddag nog aan de beurt.

vrijdag 3 april 2015

Van de bitch van Stavoren, Hindeloopen tot Workum




We waren er al eens eerder, in Stavoren. Een aantal jaar geleden. Toen kwamen we uit Enkhuizen gelopen, en namen hier de boot weer terug, om de cirkel van het Zuiderzeepad te sluiten. Vandaag is Stavoren een startpunt. Een soort van nieuw begin. We openen er het noordelijk deel van het Nederlands Kustpad, door Friesland en Groningen. Langs IJsselmeer en Waddenzee gaat het nu richting Duitsland. Het Hollands gedeelte, van Hoek van Holland naar Den Oever, zit erop.
In de haven maken we als eerste kennis met het Vrouwtje van Stavoren. De vorige keer was zij ons ontgaan, maar daar staat ze hoor: gegoten in brons, met de hand boven de ogen uitkijkend over de Zuiderzee. Toen nog. Wij menen dat ze dus wel iets heldhaftigs verricht zal hebben, gelijk Kenau Simonsdochter Hasselaer, die in haar dooie eentje Haarlem voor de Spanjaard behoedde, of zoiets, en vinden de aanduiding ‘vrouwtje’ ook dáárom niet zo passend.  Al is het zeker geen gróót beeld.
Het bijbehorend tekstbord helpt ons echter uit de droom. Niks heldhaftigs aan, aan dit vrouwtje. Een eigenwijs, inhalig en egoïstisch kreng was het. Waarvoor ‘vrouwtje’ nog veel te lief is, als aanduiding. Een hoogmoedige koopmansvrouw is hier vereeuwigd. Wat je nu een ondernemer zou noemen. Een bankier, een grote graaier. Stinkend rijk, de rijkste van de stad, maar nog altijd niet tevreden. De VVD bestond nog niet, maar anders was het Vrouwtje van Stavoren er wethouder voor geweest. Of senator, of iets anders lucratiefs.
Opvallend trouwens ook dat het hier, rond 1800, een vrouw betreft. Die blijkbaar tóen al door het glazen plafond was gebroken en eenmaal aan de top dus precies het gedrag bleek te vertonen dat nu pas, ruim tweehonderd jaar later, vooral mannen wordt kwalijk genomen. Misschien dat de wereld er met vrouwen aan de macht toch niet echt heel anders uit zou zien. Misschien is het wel helemaal niet zo simpel.




Maar goed, het Vrouwtje van Stavoren.
Zij stuurde één van haar schippers eropuit, om het beste en het kostbaarste dat de wereld te bieden had voor haar te halen. Met minder nam ze geen genoegen. Toen de schipper, na vele omzwervingen en ampele overwegingen, terugkeerde met een boot vol graan, was zij zó beledigd dat zij opdracht gaf het hele spul in zee te kiepen. Terwijl de bevolking honger leed, nota bene. De bitch van Stavoren. Om geen Hollandser termen te gebruiken.
Een oud en wijs man - sorry dames, maar zó gaat het verhaal - probeerde haar nog op andere gedachten te brengen door haar te voorspellen dat zij, eenmaal zelf aan de bedelstaf geraakt, zou inzien dat graan toch echt kostbaarder was dan goud. Maar dáár had het Vrouwtje helemáál geen boodschap aan. Als ultiem decadent antwoord gooide zij lachend haar gouden ring in zee, honend dat de kans dat zíj aan de bedelstaf zou geraken even groot was als de kans dat zij haar gouden ring óóit terug zou krijgen. Fuck you, wijze oude man, opzij!
Of statistiek al was uitgevonden weten wij niet, maar objectief gezien had ze een punt, aangezien ze volgens de verhalen eigenaar was van zo’n beetje alles wat kon varen, woonde in een huis met gouden vloeren en zilveren muren en het al met al dus zo’n beetje voor het zeggen had, in Stavoren en omstreken. Dat kin wat lijen, zou je zeggen.
Toch liep het verkeerd af, want Calvijn was natuurlijk al wel al lang en breed uitgevonden.
Slechts een paar dagen later kocht de keukenmeid van het Vrouwtje een schelvis op de markt, voor het diner - een krepserig armeluismaaltje ook nog - en ja hoor, verdomd als het niet waar is, in de maag van dat beest werd haar gouden ring teruggevonden. De kansen van het vrouwtje keerden onmiddellijk. Al haar schepen vergingen op zee, op de plek waar het graan overboord werd gekiept ontstond een zandbank en de haven van Stavoren slibde dicht. Het vrouwtje ging failliet en raakte aan de bedelstaf, precies zoals de wijze oude man had voorspeld.
We moeten, begrijpen wij nu, het beeld eerder zien als een waarschuwing. Een wijze les. Hoed u voor bankiers en ondernemers. Zij hebben slechts zelden het beste met u voor. Waarvan akte.






Nee, dan het Vrouwtje van Stavoren dat we verderop op de grasdijk tegenkomen. Een struis type is het, met grijze haren in de wind, stevige schoenen en een camelkleurige bodywarmer met heel veel zakken en vakken. Ook zij kijkt uit over wat eens de Zuiderzee was. Niet met haar hand boven haar ogen maar door een al even struise verrekijker. Wind en waterdicht in legergroen rubber verpakt, rotsvast verankerd op een statief.
Of er nog wat leuks te zien is, vragen wij, en gaandeweg wil de vrouw ons wel vertellen wat zij aan het doen is: ganzen tellen. Als vrijwilliger voor de Sovon, een officiële vogelinstantie.
Kijk, zo kan het dus ook, Vrouwtje van Stavoren, denken wij. Vrijwillig ganzen tellen, in plaats van met een ontevreden smoel op je florijnen zitten.
Maar het roept ook de nodige vragen op. Lopend over de dijk hebben wij vanochtend bijvoorbeeld al zóveel ganzen gezien dat het toch onbegonnen werk lijkt dat allemaal te tellen? En bovendien, vragen wij ons af, hoe weet je nou welke je al gehad hebt? Ze vliegen immers met wolken tegelijk van links naar rechts of weer terug over de dijk?
Als rechtgeaarde Friezin staat de vrouw daar met een geamuseerde glimlach nuchter tegenover. Ze telt een bepaald gebied op één dag. En dat daar doublures in zitten, ja.. nou.. dat wordt vast wel meegenomen in de rekenmethode. Dus..
En volgens haar gaat het de laatste tijd de goede kant op met de ganzenstand. Of dat meer of juist minder ganzen betekent, zijn wij benieuwd, omdat ze nou niet altijd even geliefd zijn, menen wij te weten. Maar dat ligt volgens de ganzentelster dan maar weer net aan met wie je praat. En over welke ganzen. Of je het over overwinteraars hebt,  of over overzomeraars. Boeren hebben alleen een hekel aan die laatsten. Want díe vreten de boel op. En ja, dan schijnt er inderdaad het plan te zijn om stelletjes waarvan vermoed wordt dat ze zich voort willen planten, af te schieten. En de tellingen van de Sovon zullen ongetwijfeld gebruikt worden in het meten van het resultaat van allerlei maatregelen. Maar ja.. daar weet zij verder niks van. Zij telt alleen.





Onderweg naar Hindeloopen komen we langs een wit gebouw dat enige historie verraadt. We vermoeden iets notabels. Later op internet lijkt het om het waterschapsgebouw Schuilenburg te gaan, nu in gebruik als conferentie-oord. Verderop nog zo’n ontmoeting, met een iets dichterbij verleden. Het strandpaviljoen Hindeloopen, dat onder de geknakte kerktoren van het stadje vrijwel bewusteloos tegen de dijk ligt te verloederen. Het Kurhaus van Friesland, schijnt dit te zijn geweest, in de hoogtijdagen. Als Hagenees ga ik daar verder niet op in, maar zonde is het wel natuurlijk. Er schijnen plannen te zijn het gebouw in ere te herstellen. Het zou het waard zijn, denken wij, maar ja.. wie zal dat betalen? Een ondernemer, hoogstwaarschijnlijk. En wij denken nog even aan  Scheveningen.
Hindeloopen zelf is een schattig historisch dorpje, met kleine huisjes en straatjes, steegjes en glopjes. Overtuintjes en zwartgeteerde schuren. Zwijgzaam vissende mannen met praktische schorten voor. Een houten kippenbruggetje over het water, waar in barre dus betere tijden de Elfstedentocht nog wel eens onderdoor kwam.





Verder gaat het, naar Workum, nog altijd over de kruin van de dijk. We passeren een derde wit, historisch gebouwtje. Een voormalige vuurtoren deze keer. Een enigszins afgebladderd geheel met een opengeknipte gashaard als lichtbaken op het dak. Het is, zie ik, precies de rode kachel die ik honderd jaar geleden in mijn Haagse jongenskamer had staan. Maar dan niet opengeknipt natuurlijk. Wanneer hij warm werd, kleurde hij vanuit het midden langzaam paars. Het waren de jaren zeventig. Op de vuurtoren is het geen origineel detail uiteraard, ondanks de poging origineel te zijn. Het baken is er in 2004 neergezet, als verrassing voor de deelnemers van de jaarlijkse strontrace. Nog zo’n staaltje onvervalste Fryske cultuur. Of W.A. van Buuren eraan meedeed, vermeldt de geschiedenis niet.
We mogen niet over het erf van de vuurtoren en moeten onderlangs de dijk verder, waardoor we goed zicht hebben op het metersbrede spandoek aan de omheining van het perceel, dat roept dat men hier geen windmolens in het IJsselmeer wil. Tja. Wij begrijpen dat. Wij willen ook geen windmolens in het IJsselmeer. Niemand wil windmolens in het IJsselmeer. Niemand wil windmolens in zijn achtertuin. Iedereen wil stroom, en hoe groener hoe beter, maar niemand wil windmolens in zijn blikveld. Of hoogspanningsmasten. Of trafostations. Gelukkig hoeven wij dat niet allemaal op te lossen.
Workum, besluiten we wanneer we het binnenlopen, bewaren we voor de volgende keer. Dat het de moeite waard is, zien we wel, maar we hebben trek in bier. Het Jopie Huisman Museum, leren we aan de leestafel alvast, is met vijftigduizend bezoekers het drukstbezochte museum van Workum.





Nederlands Kustpad deel 3, eerste etappe, van Stavoren tot Workum, gelopen op zaterdag 14 februari 2015

woensdag 1 april 2015

Led Zeppelin




















Uit de serie: Geen Kunst
Voor een uitgebreidere rondleiding door beeldentuin De Wereld, volg de gids

maandag 30 maart 2015

Communication breakdown




















Uit de serie: Geen Kunst
Voor een uitgebreide rondleiding door beeldentuin De Wereld, volg de gids

vrijdag 20 maart 2015

In fytsmakkerij yn Workum

Elders langs onze wandeltochten hadden we het al eens eerder gezien: een te goeder trouw aangeboden fietspomp. Zomaar aan de kant van de weg, bij een huis. Voor wie een zachte band had. En wie ‘m op zijn grotestads meenam, was een hork. Uiteraard. Want die heb je ook.
Hier in Workum stond hij bij een fietsenmaker op de stoep. Waar je hem ook eigenlijk zou verwachten. Maar dan niet gratis, misschien.




















By in fytsmakkerij yn Workum 
stiet in boadskip dy hiel dúdlik doar kum: 
De pomp is foar ieders gerief 
 mar wa him stelt is in dief! 
Al sil dat yn Workum net foar kum..

vrijdag 13 maart 2015

Een pizzeria te Hindeloopen










Wandelend langs het Nederlands Kustpad kwamen wij ook door Hindeloopen. Een klein, Fries en pittoresk plaatsje aan de Zuiderzee. Dankzij haar haven heeft het altijd in contact gestaan met de rest van wereld. En stonden de sluizen open voor andere culturen dan de onze. Vreemde smaken en gebruiken uit verre en exotische oorden.  Anders kunnen wij het niet verklaren, het reclameschild op dit pizza-bezorg-autootje.




















Een pizzeria te Hindeloopen
was op de avond des Heeren tot héél laat nog open.
Na panna cotta en ijs
werd, voor een billijke prijs,
de kat in het donker geknopen.