donderdag 27 november 2014

101 ogenblikken



In het Stedelijk Museum van Alkmaar waren we op bezoek bij een tentoonstelling van Theo van Houts. De beste tijdschriftfotograaf van Nederland, volgens de bijsluiter. 
Waarom iets altijd meteen het best of het grootst of het hoogst of het warmst of het koudst moet zijn, begrijp ik niet zo goed. Het zal wel door het alomtegenwoordige dwdd komen, dé smaakbepaler hier te lande, waar ook alles en iedereen uitsluitend in de overtreffendste trap wordt besproken.
Persoonlijk ken ik lang niet alle tijdschriftfotografen, ik wist niet eens dat het een aparte soort was, dus of Theo van Houts de beste is, weet ik niet. Het lijkt me ook lastig te bepalen want er zijn nogal wat verschillende tijdschriften. Het is ook niet zo interessant natuurlijk, want niet alles is een wedstrijd. Waarom kunnen we niet gewoon zeggen dat Theo van Houts een goede tijdschriftfotograaf is. Dan weten we óók waar we het over hebben, en aan de tentoonstelling doet het verder geen afbreuk. Sterker nog, het tempert de verwachtingen wat, en opent zo de wijde, niet vooringenomen blik. We zouden er geen woord teveel mee zeggen ook, want Theo van Houts is inderdaad een goede fotograaf.
Dit is fotografie uit het pre-digitale tijdperk. Uit de tijd dat fotograferen nog een eerlijk ambacht was. Van één keer afdrukken, op het goede moment en wéten wat je doet, omdat je pas thuis, in de donkere kamer, kunt zien wat je gedaan hebt, en geen photoshop om je eruit te redden. De toegevoegde waarde van schoonheidsfoutjes. Alleen daarmee geeft deze tentoonstelling al een tijdsbeeld.
De foto’s van van Houts zijn een feest van veelbetekenende blikken, houdingen en gelaatsuitdrukkingen, op precies het goede moment genomen. Het dubbelportret bijvoorbeeld, van een vergeten bekendheid met zijn al even fatterige assistent, elkaar de loef afstekend in arrogante decadentie. Twee vechtende jongens op straat, in een kring van omstanders die daar elk op hun eigen manier getuige van zijn. En wij dáár weer van. De voelbare ijskoude minzaamheid van twee Staphorster vrouwen. Spannende, gelaagde taferelen.
Niet in honderd maar in honderd en één foto’s leidt de tentoonstelling ons zo langs momenten uit drie decennia Nederland. En het zou leuk zijn als het waar is wat ik denk, namelijk dat die éne foto er misschien ook wel op het laatste ogenblik is bijgehangen. Buiten de rubrieken om, een beetje alleen en opzij van de rest, hangt een foto van Sinterklaas, met zijn zwarte knecht. Ontredderd, en volkomen verloren staan ze in de zompige middenberm van een verlaten snelweg. Op net zo’n waaierige, grijze novemberdag als vandaag. Maar dan in 1963. Met de omineuze titel ‘Sinterklaas verdwaald’ zou deze foto zomaar een subtiele knipoog kunnen zijn. Naar de actualiteit, zal ik het maar noemen.
De meeste foto’s in de tentoonstelling zijn uit de zestiger en zeventiger jaren, en wat vooral opvalt is hoelang die alweer geleden zijn, als je de foto’s mag geloven tenminste. Ik vind het maar moeilijk voor te stellen dat ik deze tijden dus zélf heb meegemaakt. Als kind weliswaar, maar toch. Een boerenfamilie in Twente die je, als je moest raden, op kort na de tweede wereldoorlog zou schatten, blijkt gefotografeerd in 1972. Een groepje ouwelijke studenten, zichtbaar luidruchtig discussiërend op een trappetje van een herenhuis, straalt in alles de vijftiger jaren uit, in 1977. Die grenzen door de tijd lopen blijkbaar niet zo strak als we altijd maar denken. Een bijzondere ontdekking. En leuk om zelf te zien dat dat nog steeds zo is, als je om je heen kijkt.
Als we beneden aan de koffie zitten, zien we buiten op straat een flamboyante figuur langs struinen, pak en stropdas stijlvol fladderend op de wind en de maat van zijn ferme tred, een sigaret rokend met de vanzelfsprekende nonchalante flair van de jaren zestig. En in de Volkskrant van vandaag staat een foto van een dame die een 3D scan maakt van een beeldje van Picasso, met een apparaat dat het futuristisch midden houdt tussen een strijkijzer en een waterkoker en waaraan je nu, in 2014, al kunt zien hoe koddig ouderwets we dat over een jaar of tien waarschijnlijk al zullen vinden.

De tentoonstelling 101 ogenblikken van Theo van Houts is tot 1 februari 2015 te zien in het Stedelijk Museum van Alkmaar.

woensdag 26 november 2014

Volgens ons hield hij iets achter




















Uit de serie: GeenKunst
Voor een rondleiding door de beeldentuin, volg de gids.

dinsdag 25 november 2014

Beleefd

Pardon, hoorde de man achter zich, bij de kassa van de supermarkt. Nietsvermoedend stond hij over zijn karretje en de lopende band gebogen, druk in de weer met de boodschappen en blijkbaar stond hij daarbij iemand in de weg. Ja, dat kon gebeuren, dat was helemaal niet erg. Het paste ook allemaal maar net soms, al die klanten met hun volle karren in het smalle gangpaadje tussen de kassa’s door. Met ook nog dat hekje in het midden, en de goed-Hollandse traditie om zo dicht mogelijk op elkaar te dringen uit angst dat er anders een ander voorkroop. Kinderwagens, rolstoelen met uitstekende krukken, heen en weer drentelende kleuters. Kleuters die het hekje als klimrek gebruikten. Mensen die weer terug moesten, langs de rij, omdat ze de broccoli niet hadden afgewogen. Mensen die er langs wilden zónder boodschappen, of een vergeten boodschap die er ook nog bij moest, of met de afgewogen broccoli. Het kon allemaal en de man vond het altijd allemaal best, als er iemand pardon zei, deed híj een stapje opzij. Nu ook. Vriendelijk en misschien zelfs alvast wat verontschuldigend glimlachend keek hij even om. Maar zijn welwillende blik ketste af op een sportschoolbrede en onverzettelijke rug, die hem geen blik waardig keurde. De zojuist door hem vrijgemaakte ruimte werd zéér overtuigend ingenomen door een imponerende verschijning. Een mooi exemplaar van de homo sapiens alpha, zogezegd. Het standaardplaatje: kaalgeschoren hoofd, ingeschroefde oorringen, trainingsjack, capuchon, joggingbroek, sportschoenen, héél veel biceps en triceps en wat al niet en vast ook nog wel ergens een flinke tattoo. En zo’n vierkant sikje aan zijn onderlip. Wijdbeens, de machtige armen over elkaar en zich nog breder makend dan hij toch al was, nam de imponerende verschijning zoveel mogelijk ruimte in, in twee rijen tegelijk. Hoewel hij niet in de rij stond, uiteraard, de rij stond om hem heen. Hij stond hier want hij stond hier. Mocht dat soms niet? Hij roffelde nog net niet op zijn borst, dacht de man elitair. Toch vond hij het ook wel weer grappig dat zo iemand daar dan dus eerst pardon voor zei.

maandag 24 november 2014

Cirkel in het gras




















Uit de serie: GeenKunst
Voor een bezoek aan de beeldentuin, volg de de gids.

vrijdag 21 november 2014

In de wespenval

Tjonge, we moeten goed uitkijken waar we onze blote voeten neerzetten, de laatste weken, in de slaapkamer. Op de hele bovenverdieping, eigenlijk. In alle slaapkamers. Bijna dagelijks liggen er stervende wespen op de vloer. Moe en futloos kruipen ze rond, soms met wel drie of vier tegelijk, dralend op weg naar het einde. Of ze zoemen nog zo’n beetje zomers tegen het glas van de balkondeuren, of het dakraam, dicht allebei, zo halverwege november, maar dat is met hun laatste krachten, dat is duidelijk te zien. Straks darren ze ook op de grond. En als je er dan op stapt, omdat je niet oplet, zul je maar net de laatste zijn die ze gauw nog even steken.
Nou ja, het is niks nieuws hoor, het is half november, dan is het gewoon de hoogste tijd om dood te gaan, voor wespen. Alleen de koninginnen, die blijven leven. Om in het voorjaar een nieuw nest te beginnen, zodat we de volgende zomer ook weer lekker last van wespen op de appeltaart kunnen hebben. Tenminste, dat is wat ik ervan onthouden heb.
Goed nieuws is het ook niet trouwens. Ja, je kunt natuurlijk denken: de enige goede wesp is een dooie wesp en iedere dooie wesp is er weer één minder, maar daar valt om te beginnen misschien nog wel wat op af te dingen, wespen schijnen reuze nuttig te zijn, in de kringloop van het leven, maar bovendien bedoel ik dat niet. Nee, ik bedoel.. ik neem niet aan dat al die wespen van heinde en verre naar ons huis komen vliegen om hier in alle rust hun laatste wespenadem uit te komen blazen. Al weet ik eigenlijk ook niet of wespen ademen, maar goed, dat zal wel, al gaat het waarschijnlijk anders dan bij ons. Wat ik wil zeggen, één stervende wesp die toevallig binnen is komen waaien, daar kan ik nog wel inkomen. Maar als het er tientallen zijn, weet je het eigenlijk al. Dat kan maar één ding betekenen. Je kunt het wel raden, en inderdaad, na een korte zoektocht blijkt wat we al vermoedden: we hebben een wespennest onder de pannen.




















Het vreemde is wel dat we dat de hele zomer niet gemerkt hebben.  Niet één wesp hebben we binnen gehad. En in de tuin is ons ook niks bijzonders opgevallen. Terwijl, als ik nu die stoet eens bekijk, die onder het dak af en aan vliegt, en naar binnen en buiten kruipt.. dat moeten we dan toch eerder hebben gezien. Het is vlak boven de fietsenschuur, nota bene. Aan de andere kant lijkt het me ook sterk dat ze nú nog eens aan een nest gaan beginnen. Of zouden ze vast een beetje vooruitwerken, voor volgend jaar? Dat de koningin dan niet alles zelf hoeft te doen?
Je weet het niet met wespen. Ik heb het altijd nare beesten gevonden, zoals de meeste mensen, vermoed ik. Als ik er één dood kon slaan, deed ik het. En grondig bovendien, want ik was ook nog eens een schijterd. Tot we op een kampeervakantie iets bijzonders zagen, met wespen. Toen ben ik er anders over gaan denken.
Het was een goed wespenjaar dat jaar, want er waren er heel veel. Daarom hadden we een wespenval in elkaar geknutseld. Dat hoort eigenlijk met een petfles, maar wij hadden het met zo’n plastic gebaksdoos uit de supermarché gedaan. Dat zal ook wel gaan, dachten wij. Een flinke plas limonadesiroop op de bodem, om in te verzuipen, en de doos langs de randen dichtgeplakt met plakband. En het leek ook wel aardig te werken want al snel lagen de eerste wespen erin, met plakkerige, natte vleugels, te zwaar om nog te vliegen. Maar verzuipen deden ze niet en na een tijdje zagen we dat er ook geen nieuwe wespen meer in de gebaksdoos kropen. Wel vloog er continu een lange, zoemende rij af en aan. Waarschijnlijk met buiken vol limonadesiroop want het klonk erg tevreden, en het peil daalde gestaag. Toen we de zaak eens wat beter bekeken, zagen we dat de wespen die in de doos waren gekropen, gaatjes in het plakband hadden geknaagd en daar doorheen de limonade aan hun collega’s gaven. Alle andere wespen kwamen daar, aan de buitenkant van de doos, als aan een loket een portie limonade halen, om het snel weer ergens anders heen te brengen. Naar het nest waarschijnlijk. Of de voorraadkamer.
En dat vond ik dus knap van die wespen. Dat die paar die in de limonadesiroop terecht waren gekomen blijkbaar tegen de rest hadden gezegd dat ze beter buiten konden blijven. En dat ze op één of andere manier met elkaar een plan hadden bedacht en afgesproken. En een taakverdeling, en een stappenplan. Dat ze elkaar de tent niet uitvochten om ieder voor zich zoveel mogelijk zelf te pakken te krijgen, zoals je vogeltjes ’s winters ziet doen, op een overvolle voederplank met genoeg voor iedereen. En dat de wespen ín de doos ook niet gingen liggen jeremiëren dat het niet eerlijk was dat zíj nu in de smurrie zaten en helemaal nat en kleverig, en dat nu wel eens een ander aan de beurt was. Waar je je ook iets bij voor zou kunnen stellen. Dat verwacht je toch allemaal niet, van wespen.
Wij hoefden nu alleen maar te zorgen dat er voldoende limonadesiroop in de gebaksdoos zat, dan hadden wij er geen last meer van, en konden ze toch blijven leven. Want laten we eerlijk zijn, zo’n fles met een dikke laag dode en voor hun leven vechtende wespen op de bodem, dat is toch ook een rotgezicht. Het lijkt dan toch net of ze angstig uit hun gemene oogjes kijken.
De volgende dag zagen we trouwens nóg een sterk wespenstaaltje. Nog sterker eigenlijk. Kampeerders naast ons hadden wél een petfles gebruikt, om een wespenval mee te maken, en die zat al aardig vol. Onderop een flinke laag dode wespen, waar geen redding meer voor mogelijk was, maar daar bovenop kropen er ook nog een heleboel paniekerig rond en heen en weer en over elkaar heen. Vliegen konden ze niet meer, daar waren ze te kleverig en te zwaar voor geworden, maar er was ook niet genoeg limonade over om kopje onder in te gaan. Een rotgezicht, zoals ik al zei. Maar ja, het was de fles van de buren, wat doe je eraan? Tot we iets heel bijzonders zagen. Tegen de wand van de fles had zich een torentje van wespen gevormd. Als in een wespencircus waren ze op elkaars schouders gaan staan in een poging de uitgang te bereiken, die ze ergens boven zich wisten. Er stonden er zeker al tien op elkaar en nummer elf zagen we langs de anderen naar boven klimmen. Je denkt misschien dat ik het hier en nu uit mijn duim zit te zuigen, maar het is echt waar gebeurd. Het was een wonderbaarlijk gezicht. En het allerbijzonderste was misschien nog wel dat nummer acht in het torentje geen wesp was, maar een vlieg. Een bromvlieg. Die kunnen elkaar dus verstaan, denk je dan. En met elkaar samenwerken. Toen we dat zagen hebben we het flesje meteen opengemaakt, zodat de wespen eruit konden, de vrijheid tegemoet. En de vlieg ook natuurlijk.
En sindsdien bekijk ik wespen met andere ogen. Met een soort van bewondering, misschien wel. Al zit dat nest onder de pannen me nog steeds niet lekker. Dat dan weer niet.

woensdag 19 november 2014

Schipper, mag ik overvaren?

Ja, waar sláát dat nou op? Het is de schipper aan het woord, van het pontveer Jan Hop te Spijkerboor. Hij heeft net ongelovig mijn wat gênante bekentenis aangehoord, namelijk dat ik niet meer contant geld in mijn portemonnee heb dan de twintig cent waarmee ik vanochtend van huis ben gegaan. De motor van de pont had hij al gestart toen ik aan kwam lopen, maar ik durf niet zonder meer aan boord te stappen.
Wie gaat er nou zonder geld van huis? Vraagt hij zich vervolgens oprecht verontwaardigd af, zijn ogen ten hemel opslaand. Zelf vind ik het ook opeens wel wat onbenullig. Twintig cent, verdorie, wat ben ik ook een knurft. Als het nou nog een euro geweest was. Maar ja, gut.. we leven in de moderne tijd, contant geld wordt nauwelijks nog ergens op prijs gesteld. Klein bedrag, pinnen mag, is het motto van de winkelier zelfs al geworden, en in het openbaar vervoer is het gewoon verplicht inchecken geblazen. Er gaan weken voorbij dat ik het prima red, zonder contant geld. Ik zou er bij wijze van spreken wel een weddenschap op af durven sluiten dat je zonder contant geld de wereld rond kunt reizen, al of niet in tachtig dagen. Zolang je Spijkerboor een beetje mijdt, uiteraard.
Een flink eind voorbij De Rijp was het me pas te binnen geschoten, dat de moderne tijd op een pontje natuurlijk niet zo’n vat heeft. Dat dat uiteindelijk ook de charme is, van pontjes, nietwaar? En dat ik dus, even kijken.. zestig cent te kort ging komen, voor de overtocht. Tegen beter weten in had ik daarna bij Fort Spijkerboor nog geprobeerd aan contanten te komen, maar uiteraard zou een pinapparaat dáár helemaal een anachronisme geweest zijn. De kans om nog met guldens te kunnen betalen was er waarschijnlijk groter geweest. Het voorgenomen bezoek aan het fort komt daarmee trouwens wel te vervallen, wegens gebrek aan contanten.
En nu sta ik dus, aan de oever van een machtige rivier, en heb geen cent om te schipper te betalen. Mag ik overvaren ja of nee? Ik durf er niet op te rekenen. Maar met een barse hoofdbeweging laat de veerman me weten dat hij me heus niet zal laten staan. Zwijgend en er het zijne van denkend zet hij me over. Ik sta schuldbewust aan de reling op de reddende overkant te wachten. Toch is zijn wrevel onderweg, zo kort als de overtocht is, blijkbaar verwaterd, want als ik aan de overkant hardop bedenk dat ik bij het daar gelegen café misschien een euro extra kan pinnen bij een kopje koffie, wuift hij het idee met een breed gebaar uit de lucht. Het komt de volgende keer wel, besluit hij, en wil er niks meer over horen. Opnieuw vervuld van vertrouwen in de uiteindelijke goedheid van de mens vervolg ik mijn weg, langs de Knollendammervaart, richting Oostknollendam en Wormer.




Op de Oudelandsdijk heb ik al snel twee dames in mijn kielzog. Dames met wapperende sjaaltjes, flodderige, ooit felgekleurde jasjes en blommige rokjes over verschoten broeken. Hippiemeisjes van vijftig. Medewandelaars, die ook wel van de pont zullen komen en hoogstwaarschijnlijk dezelfde route lopen. Ik heb niks tegen medewandelaars, herhaal ik nog maar eens. Wandelaars, dat is goed volk. Maar ze moeten niet een hele wandeling in mijn nek lopen hijgen, en ze moeten ook niet een hele dag hinderlijk in mijn blikveld blijven hangen. Nee zeg, het is de avondvierdaagse niet, dáár heb ik geen zin in. Normaalgesproken kost het trouwens weinig moeite weer van elkaar af te komen. Een korte stop volstaat, over het algemeen. Medewandelaars hebben zelf namelijk ook geen zin in medewandelaars en zetten er even flink de pas in, om een voorsprong op te bouwen, zodat daarna iedereen weer de prettige illusie kan hebben dat hij alleen op pad is. Maar deze dames vallen buiten het systeem. Wat ik ook stop, versnel of vertraag onderweg, ik blijf ze de rest van de dag tegenkomen. Het lijkt wel of ze het erom doen, hoewel ze mijn consequent groeten maar nauwelijks, of liever nog helemaal niet beantwoorden. Alsof ík de stalker ben. Als ik bij Wormer rechtsaf sla om de alternatieve route via Zaanse Schans te lopen, heb ik de hoop al opgegeven, en inderdaad slaan de dames daar vijf minuten later óók rechtsaf.




















Lopend door dit gebied heb ik gedurig het idee dat ik zo’n beetje ín het water loop. Dat idee klopt ook wel natuurlijk want het is hier alles droogmakerij en polder wat je ziet. Een uitgestrekte lappendeken van drooggemalen en ingepolderde meren, waarin het water toch nog altijd alomtegenwoordig is. Rechts van mij de Knollendammervaart, waarin het zelfs letterlijk boven mij uittorent: als ik de dijk beklim zie ik dat het water zo goed als tot de kruin staat, de weg waarop ik loop ligt toch zeker twee meter lager. Maar ook links, in het Wormer- en Jisperveld glinstert het zó hoog in de brede sloten dat de weilanden en de weg het hoofd maar net boven water lijken te kunnen houden. Het water mag overwonnen zijn, en ingedamd, het is ons niet vergeten. Het wacht op een kans. Op een moment van onoplettendheid.
Na Oostknollendam loop ik verder langs de Zaan, met aan de overkant het industrieel uitzicht dat zich al vanaf Spijkerboor aan de horizon aandiende. Een wirwar van oudhollandse molens, moderne Europese subsidie windmolens, hoogspanningsmasten, rokende fabrieksschoorstenen, silo’s en grote, lelijke gebouwen en loodsen. Je zou het mistroostig kunnen noemen, zeker op een grijze dag als deze, maar ik vind het wel wat hebben. Het is mooi van lelijkheid, inderdaad, net wat u zegt. En dat aan mijn kant van de Zaan de weg is opgebroken, en gedeeltelijk vervangen door roestige stalen rijplaten, is alleen maar sfeerverhogend, wat mij betreft. Zelfs de onafgebroken stoet vliegtuigen waarmee het groothertogdom Schiphol zijn immer groeiende nabijheid verraadt, past hier in het plaatje.




















Wat het vooral charmant maakt, denk ik, is de 19e eeuw die hier en daar de kop nog opsteekt, tussen het modernere geweld van golfplaat, beton en blinkende kilometers pijpleiding. Een bakstenen torentje met kantelen, dat tevoorschijn piept op kniehoogte van een enorm en grijs complex. Een vriendelijk bruinrood geveltje met wat sober decoratief metselwerk onder het puntdak, te midden van puur functioneel rechttoe rechtaan de hoogte in. Met als onbetwist hoogtepunt: Zeepziederij De Adelaar. Een klassiek fabrieksgebouw, een vierkant fort van rood baksteen met drie verdiepingen, een raster van ramen in iedere muur, laaddeuren rechts van het midden en op de linkerhoek een soort watertoren met een metershoge, gietijzeren adelaar op het zinken puntdak, de vleugels heerszuchtig uitgespreid. Ooit zal dit een enorm gebouw geweest zijn, een imposant toonbeeld van welvaart en rijkdom dat almachtig boven zijn platte omgeving uittorende. Nu staat het er bijna bedremmeld bij, als een oude man, minzaam gedoogd tussen veel jongere silo’s en loodsen en hallen, die allemaal stukken groter zijn, maar plompverloren neergezet met nog niet een honderdste van de liefde en de aandacht waarmee De Adelaar zelf werd gebouwd.




Als de geur van linoleum langzaam plaatsmaakt voor die van cacao, nader ik Zaanse Schans. Een openluchtmuseum. Een stukje Holland dat eigenlijk niet meer bestaat, zoals aan de overkant van het water ook duidelijk te zien is. Een handvol molens op een rij, een dorp van houten huizen, glimmend onderhouden en opgetuigd alsof de tijd heeft stilgestaan sinds de 18e eeuw. Een nepdorp, feitelijk. Ik begrijp dat hier ook gewoon mensen wonen, maar het lijkt me een vreselijk lot want zelfs nu, eind oktober, krioelt het nog van de toeristen. Er rijdt verdorie zelfs een riksha heen en weer. Ik hoor Spaans, Italiaans, Japans, Engels, Hindi, Zweeds, Duits, Frans, Oosteuropees.. alle talen van de regenboog. Mensen sjokken verveeld achter elkaar aan, huisje in huisje uit, van molen naar molen, alsof ze zelf ook niet precies weten waarom ze hier zijn. Alsof ze het zich toch anders hadden voorgesteld misschien, Holland. Een verliefd stelletje laat zich in een vreemde taal fotograferen, door een andere toerist, met een windmill op de achtergrond. Drie meisjes zijn een half uur in de weer om foto’s van elkaar te maken terwijl ze een koket sprongetje maken op één van de smalle bruggetjes. Een kennelijke bewoner met een hond wringt zich er moeizaam langs. Een Nederlander leidt zijn Engelse gasten in Dunglish langs de molens en de houten schuren met de rieten daken op een toon alsof hij ze eigenhandig gebouwd heeft.




















Ik zit het op een bankje allemaal eens te bekijken wanneer iemand mij vraagt of ik alstublieft tien minuten op zijn reclamebord zou willen letten. Het is de jongen van de riksha, zie ik. Hij heeft zijn bord al van het slot maar heeft nu toch nog weer twee klanten, voor een ritje naar het station. En geen zin het bord weer vast te maken. Blijkbaar is hij niet benauwd dat ík er nu met zijn bord vandoor ga. Ach, ik vind het wel best. Ik doe graag iemand een plezier, zeker wanneer het zo weinig moeite kost. Bovendien, zo weet ik tenminste zeker dat ik mijn dames niet ook nog in de trein terug naar huis tegenkom. Terwijl zijn klanten nog op zijn Japans het toeristenwinkeltje induiken, en de tien minuten al snel verdubbelen, maakt de jongen een praatje. Zo kom ik te weten dat de riksha elektrisch wordt aangedreven maar dat je na een dagje heen en weer fietsen evengoed behoorlijk afgemat bent, dat een ritje naar het station zeven euro vijftig kost en een complete rondrit vijftien, dat de jongen dit als vakantie- en weekendbaantje doet, dat hij het leuk werk vindt en dat hij cabaretier wil worden. Ik raad hem aan te beginnen met een programma over toeristen aan de Zaan.
Als de jongen na gedane zaken terugkeert en ik na nóg een praatje aankondig maar eens naar het station te gaan, oppert hij mij met de riksha te brengen. Ik vertel van mijn pijnlijke overtocht bij Spijkerboor, en bedank. Maar de jongen bedoelt een gratis ritje. En ik verlaat Zaanse Schans geheel in stijl. In toeristenstijl, maar ook in stijl van de dag. Want die weddenschap, dat zit wel goed. Met mensen als deze op mijn pad, moet ik die makkelijk kunnen winnen.

Graft – Zaanse Schans, een etappe van het Trekvogelpad, gelopen op zondag 26 oktober 2014



dinsdag 18 november 2014

In besloten kring





















Uit de serie: GeenKunst
Voor een uitgebreidere rondleiding door de wereld als beeldentuin, volg de gids.

donderdag 13 november 2014

Het gaat om de inhoud




















Uit de serie: GeenKunst
Voor een uitgebreidere rondleiding, volg de gids

dinsdag 11 november 2014

Volgende

Dankzij zijn weblog van een huisvader was de man in de loop der jaren trouwens wel regelmatig benaderd door programmamakers en journalisten. Dat dan weer wel. Die waren dan voor een reportage of een interview of een artikel op zoek naar een zorgende man, tikten ‘huisman’ in bij Google en dan kwamen ze al snel bij hem terecht. Hij liep daar namelijk nogal mee te koop, digitaal, dus een kind kon de was doen. En ze hadden een goeie aan hem ook, want hij hield wel van een beetje aandacht. Het waren vaak ook leuke, enthousiaste jonge vrouwen die bij hem aanklopten en bovendien, met het oog op hun verhaal natuurlijk, dat leuk moest worden en al snel af moest, altijd vol lof over hoe bijzonder het allemaal was, zo’n zorgende man met twee kleine kinderen, een parttimepuber en een werkende vrouw. Zo had hij al breeduit lachend in verschillende damesbladen gestaan, al of niet met zijn jongens stoer op de arm of gezellig en zorgzaam op schoot, tussen de eigen schuifdeuren, voor de ingehuurde designkeuken van een ander, of zogenaamd houtsnijdend en casual gestyled in de achtertuin. Eén keer had hij zelfs breeduit lachend zijn jongens van school gehaald met een cameraploeg in zijn kielzog, uiteraard tot grote nieuwsgierigheid van alle schoolpleinmoeders, in wiens warme belangstelling hij zich toch al mocht verheugen. Jaja. Dat was nog eens wat, elke keer. Hij fleurde er meestal weer helemaal van op. Hij kon er meestal wel weer een paar weekjes op vooruit.
Deze week werd hij dan door een landelijke krant gevraagd of hij, als huisman zijnde, wilde meewerken aan een zogenoemde Géén-Carrière-Special. Een eenmalige variant op de wekelijkse Carrière-Special. Het ging om een rubriek waarin hij onder meer zou moeten vertellen over zijn inkomsten en uitgaven, en waarvoor hij gefotografeerd zou worden op een plek in zijn eigen huis. Als bijlage waren twee eerdere voorbeelden van deze rubriek bijgesloten.
De man klikte de bijlage open. In het eerste van de twee voorbeelden stond Jort Kelder strak gekapt en hip geschoren in zijn goeie goed in een ernstig vormgegeven en ongetwijfeld peperdure keuken zijn interessante zelf te zijn. In het andere voorbeeld was Jort Kelder vervangen door een andere glimmend gepoetste geslaagderik.
De man zag al helemaal voor zich hoe dit rubriekje er uit zou zien met hem in de hoofdrol. Een langharige, grijzende man met een buikje en verontschuldigende verhalen over voornamelijk vage, creatieve projekten, te midden van een gestrande verbouwing  en een zeer matig bijgewerkt huishouden, met allang niet eens meer twee kleine kinderen aan zijn broekspijpen om het allemaal mee goed te praten. En als hij zo eens om zich heen keek, zou hij ze eerlijk gezegd geen ongelijk kunnen geven ook. Nee, het leek hem een stuk verstandiger deze beker maar aan zich voorbij te laten gaan.
Merkwaardig gevolg van één en ander was wel dat hij nu al een week op een trappetje stond, met oude kranten op de vloer, om zijn muren opnieuw te schilderen en zijn kasten uit te mesten. De stofnesten en de vetvlekken te lijf te gaan, de ramen te zemen, zijn houten plafond af te nemen. De ontbrekende stopcontacten te monteren en de plinten nu eindelijk eens af te schilderen. En wat voorts ter tafel kwam. Hij snapte zelf niet waarom hij zich zo liet opjutten, maar zijn huis knapte er wel lekker van op. En de volgende keer kon hij dan misschien gewoon weer breeduit lachend in de krant.

maandag 10 november 2014

Een zee van tranen




















Uit de serie: GeenKunst
Voor de volledige beeldentuin, volg de gids.

zaterdag 8 november 2014

Liplezen

In de trein heb ik eigenlijk altijd wel iets om me aan te ergeren. Dat zit bij de prijs inbegrepen, als het ware. Dat begint al bij het inchecken, waarvan ik mij dan bijvoorbeeld al meteen weer afvraag waarom dat zo nodig in het Engels moet, als we hier dan zo dol zijn op onze eigen Hollandse cultuur. Wat is er dan mis met het Nederlandse woord aanmelden? En waarom mag ik, als trouw abonnementhouder, met negen euro op mijn kaart tóch geen ritje van twee euro veertig maken, van de NS? Waarom moet de helft van de trein vaak de hele weg leeg blijven, op een handjevol onderuitgezakte conducteurs na, terwijl de andere helft soms zó vol hangt met uitgaansjongeren of voetbalsupporters dat er niet eens meer een conducteur dóór kan, al zou die dat durven.
Nou goed.
Verder zit er natuurlijk altijd wel iemand met zijn schoenen op de stoel, is er altijd wel iemand die de laatste drie plaatsen nodig heeft voor zijn tas en zijn jas en zijn das, en laat iedereen ook altijd wel overal zijn gratis krantjes slingeren, en zijn halfleeg gedronken blikjes en flesjes staan. De schillen en de dozen.
Om over de ongewenste intimiteit van sommige telefoongesprekken maar niet eens te beginnen. Hoewel dat soms ook voor vermakelijke taferelen kan zorgen. Laatst was schuin tegenover mij in de trein, twee banken verderop aan de andere kant van het gangpad, bijvoorbeeld een meneer komen zitten. Een hele grote meneer. Niet dik, maar groot. Er was héél véél meneer. Omdat het zo druk was in de trein moest hij genoegen nemen met maar één van de vier stoelen, maar eigenlijk had hij de hele vierzitter nodig, met zulke benen, en zulke armen. Met zoveel om het lijf. Nu zat hij zo’n beetje ingeklapt en opgevouwen tussen de andere passagiers, en wat er niet meer bijpaste was half in het gangpad blijven steken.
Toen hij eenmaal zat, begon de meneer te bellen. Dat was verder niet zo bijzonder, de halve coupé zat te bellen, al deed de meneer het wel heel hard. Er kwam ook een heel groot geluid uit de meneer en hij was door de hele coupé zéér verstaanbaar. Maar goed, ook dat komt vaker voor, helaas, en inhoudelijk week het evenmin af van het gangbare ‘ik zit in de trein en ik ben er over tien minuten’ verhaal. Nee, wat het een beetje vreemd maakte, en waardoor ik er ook de hele tijd naar moest blijven kijken, op het gênante af, was dat de meneer zeer nadrukkelijk zijn vrije hand als een enorme schelp voor zijn mond hield.
Eerst begreep ik het niet. Was het omdat de meneer die hand, met die enorme arm er ook nog aan, verder nergens kwijt kon? Een gevolg van zijn gedwongen ongemakkelijke houding? Of wilde hij zijn telefoontje afschermen tegen het geluid uit de coupé? Om zijn verstaanbaarheid voor de andere kant van de lijn te verbeteren? Dat zou overdreven zijn, want de rest van de coupé leek beduusd de adem in te houden en de verstaanbaarheid was uitstekend.
Toen herinnerde ik mij plotseling dat ik deze belhouding wel eens op een krantenfoto had gezien. Politici, schijnen zo te bellen. Nu ik het wist, kon ik het bijna niet geloven. Het was tegen liplezers. De meneer die ieder ander gesprek en de trein zelf overstemde, was bang voor liplezers.
Grappig.
Op de terugweg zat vlak naast me, aan de overkant van het gangpad, ook een meisje te bellen. Diep in elkaar gedoken schermde ook zij haar telefoontje af met haar hand, en haar haar. Maar zíj voerde heel záchtjes een gesprek. Héél zachtjes. Zó zachtjes dat je het eigenlijk niet hoorde. Geruisloos als een ademtocht fluisterde ze haar onhoorbare woorden. Ik verstond er helemaal níks van. Ik kon zelfs niet eens uitmaken of het lieve woordjes waren, die ze lispelde, of dat er iemand de huid vol werd gefluisterd.
En eerlijk gezegd vond ik dát dan weer behoorlijk ergerlijk.


Dit bericht is een herschreven combinatie van twee eerdere stukjes. Afgelopen vrijdag las ik het voor als Column van de week, op de lokale radio.

donderdag 6 november 2014

De wereld een beeldentuin

Een beginnersfoutje was het eigenlijk. Zo begon het. Zo ontstond het idee, bedoel ik. In de beeldentuin van het Kröller Müller Museum, nota bene. Ik was in mijn eentje op fietstocht door Nederland, langs beeldenparken, -tuinen, -bossen  en -routes. Ik was net weer vrijgezel, op zoek naar mezelf, een nieuw leven, iets anders.. ik zat op de kunstacademie.. ik stond open voor alles.
Alles!
En zo liep ik, in de beeldentuin van het Kröller Müller museum dus, belangstellend rondjes om een manshoge, vierkante sculptuur van beton, waar een soort metalen roosters in verwerkt waren. Of ik het mooi vond, kan ik me niet meer herinneren, maar dat deed er ook helemaal niet toe in die dagen. Ik trachtte zijn zeggingskracht te doorgronden, haar zijn te absorberen. De aanwezigheid te beleven.
Tot ik ontdekte dat hier geen bordje bij stond, zoals bij de andere sculpturen. En daarna dat het dus ook helemaal geen sculptuur wás, maar de ontluchting van de kelders van het museum, of zoiets. Een tikkeltje gênant natuurlijk, zeker voor een kunstacademiestudent, maar gelukkig had verder niemand het gezien. Behalve ikzelf.
En dat was óók gelukkig, dat ik het zelf wél gezien had, want daar was meteen het idee. Ik had hier iets dat níet als kunst bedoeld was, tóch als zodanig staan bekijken. En gewaardeerd.  En dat maakte dus pas wat uit toen ik eenmaal ontdekt had dat het eigenlijk helemaal geen kunst wás, waar ik zo indringend naar had staan kijken.
Een interessante kwestie. Wat zei dat over mij? Wat zei dat over kunst? Ik had geen idee, maar ik besloot er een thema van te maken, voor de foto’s onderweg, op mijn fietstocht, dan kwam ik er allicht vanzelf achter.
Jaren geleden, is dit allemaal. Eeuwen, misschien wel. En nog altijd kom ik ze tegen, de dingen langs de weg. Langs mijn pad. Steeds meer. Het ís geen kunst, maar zou het net zo goed wél kunnen zijn. Waarom niet? Het is maar net hoe je het bekijkt. En of je het wilt zien.
Of het iets over kunst zegt, en wat dan precies, weet ik nog steeds niet. En ach, ik vind het ook niet meer zo belangrijk eigenlijk, eerlijk gezegd. Want inmiddels heeft dit beginnersfoutje geleid tot een flinke particuliere collectie GeenKunst, zoals ik het maar ben gaan noemen. Waar ik zelf in elk geval veel plezier aan beleef. Hier een willekeurig voorbeeld:





















'Zij hadden elkaar niks meer te zeggen'


Voor een uitgebreidere rondleiding door de expositie:  GeenKunst

dinsdag 4 november 2014

Haags bier in Oudesluis

Een etappe van het Hollands Kustpad, van Petten naar Oudesluis, gelopen op zondag 5 oktober 2014

Aan het begin van de wandeling gunnen we ons eigenlijk de tijd niet om heel even te kijken hoe het inmiddels opschiet, met het nieuwe land. Voor de Hondsbossche Zeewering immers, wordt deze dagen ruim tweehonderd meter blanke top der duinen en strand aan het vaderland toegevoegd. Bij de vorige etappe stonden we daar al met ontzag naar te kijken, naar de vanzelfsprekendheid van het gebeuren, en de voortvarendheid waarmee te werk wordt gegaan. Met hoeveel schijnbaar gemak er ook inderdaad een heel nieuw stuk land uit de zee opwelt, dat er dan meteen ook maar bij ligt of het altijd zo geweest is. En evengoed trekt het ook vandaag, het spektakel. Er wordt tenslotte geschiedenis geschreven, hier en nu, vaderlandse geschiedenis nog wel. We besluiten daarom aan het eind van de dag, wanneer we de auto op komen halen, nog even poolshoogte te nemen. Met een beetje geluk zien we dan ook meteen de zeehonden, die onlangs hun onverwachte intrek schijnen te hebben genomen, aan de nieuwe kustlijn. Nu slaan we, als we de dijk bij Petten beklimmen, om te beginnen rechtsaf, en voor ons ligt dan nog het stuk Hondsbossche Zeewering zoals die eens bedoeld was. In zijn eentje tegen de zee. Misschien is het wel voor het laatst dat we hem zo zien. Een piepklein historisch moment.




















Richting St Maartenszee lopen we de Pettemer duinen in. Zanderige heuvels, grillig voorzien hier en daar van donkere samenscholingen van dennen, eensgezind kromgetrokken, weggedoken haast, in gesloten formaties, zo onopvallend mogelijk meeglooiend met het landschap en huiverend bescherming zoekend bij elkaar. Tegen weer en wind allicht, maar misschien ook wel tegen iets anders. Ze geven de duinen bij Petten iets geheimzinnigs in elk geval, met net boven de horizon ook nog de glanzende koepel en de schoorsteen van de kerncentrale. En wat doet dat vreemde blauw-witte en geblindeerde torentje daar eigenlijk? Met dat trappetje naar boven, die antenne en dat rode zwaailicht op het dak? En wat loopt daar voor griezelig gitzwart monster over het pad? Wat staat daar met zijn staart dreigend omhoog, in de aanvalshouding? Het lijkt wel een schorpioen, als je het ons vraagt. Nou goed, wel een heel kleintje dan, met zijn hooguit tweeëneenhalve centimeter. Toch houden we onze vingers voor de zekerheid zoveel mogelijk thuis als we het beest leuk boos proberen te krijgen, voor de foto. Niet helemaal ten onrechte blijkt later op internet, al is het niet de intimiderende staart waar we voor op hadden hoeven passen. Hij bijt gewoon van voren en nog onaardig bovendien, naar verluidt. Een schorpioen is het ook niet trouwens. We maken kennis met de stinkende kortschildkever. Die zijn naam dankt aan zijn blijkbaar korte dekschilden, en de niet lekker ruikende vloeistof die hij afscheidt wanneer hij zich bedreigd voelt. Nog bedreigder dan door ons.




















Bij St Maartenszee draaien we het strand op en dat komt mooi uit, want daar hebben we vandaag allebei net zin in en het weer is er prima geschikt voor, hoewel dat bij het strand voor iedere weersoort geldt natuurlijk. Op het terras van de laatste strandtent van het seizoen is de voertaal Duits, de buren vieren de Dag van de Eenheid en dat doen ze blijkbaar het liefst in het buitenland, we zullen ze meer tegenkomen vandaag. Alleen aan het tafeltje achter ons wordt algemeen beschaafd Hollands gebezigd. Je moet niet zo zeuren, snauwt een keurige grijzende man zijn keurige grijzende vrouw af. Op bekakte toon, dat wel. Jij zit altijd zo te zéuren, komt er nog bestraffend achteraan. Waarna de echtelijke conversatie zonder overgang weer gemoedelijk langs ditjes en datjes door meandert. Zo kan het dus ook.
Op het strand wordt ondertussen een ingewikkeld ogend spel gespeeld. Er komen allerlei verschillende houtjes en blokjes aan te pas waarmee gegooid moet worden naar weer andere stokken, die juist in het zand gestoken staan, maar die waarschijnlijk om moeten vallen. We doen ons best, vanachter onze koffie, maar voor we erachter zijn hoe het werkt, is het spel afgelopen.
Langs onze goede vriend de zee lopen we naar Callantsoog. De hemel staat er strakblauw boven en heeft pittoreske witte wolkjes aangetrokken om er nog mooier uit te zien. Van ons beider geboortestad Den Haag is dat wat we alletwee nog wel eens missen: de zee op tien minuten afstand. Wel is het een geruststellende gedachte dat ze altijd op ons blijft wachten, omdat wij altijd terug zullen blijven komen.
Even buiten Callantsoog, we lopen weer landinwaarts inmiddels en zijn het spoor even bijster, treffen we een scharrig, uitgemergeld katje dat zonder al te veel hoop wat om ons heen draait. Het beest lijkt bij een halfslachtig in het bos weggestopte caravan te horen, die er al net zo scharrig en uitgemergeld uitziet. Misschien nog wel erger. De burgerplicht gebiedt ons nu misschien daar eens poolshoogte te nemen, maar daar voelen we toch weinig voor. Het is bepaald geen verlaten bospaadje en we zijn in Callantsoog, dus we doen als de Callantsogers, besluiten wij. Ons latente schuldgevoel kopen we af met een boterham met worst, waar het dier zich uitgehongerd op stort, terwijl wij ons, fraai is het niet, uit de voeten maken.




















Richting ’t Zand lopen we over de Zijperdijk, met uitzicht over de Zijpepolder, één van de oudste polders van ons land. In elk geval was het in 1597 de grootste polder die in één keer bedijkt werd, een succesverhaal dat indertijd de weg vrijmaakte voor misschien bekendere polders als de Schermer en de Beemster. Nu we er zo doorheen lopen is het maar moeilijk meer voor te stellen hoe de zee hier ooit de baas was. Links en rechts is het grasland wat we zien. En bollenland, bedekt met grijzig zand, stro of ondergelopen met water. Het is typisch Noordhollands landschap, denken wij. Rechttoe rechtaan, functioneel, sober. Mooi, ook. In ’t Zand steken we via de vlotbrug het Noordhollands kanaal over om even verderop weer met de Zijperdijk Oudesluis binnen te lopen. Oudesluis, de eerste sluis in het destijds nieuwe gebied, vandaar de naam. Eens lagen hier schepen van de roemruchte VOC, om via het Marsdiep naar de rest van de wereld te varen. Tot nieuwere polders de weg naar de zee versperden. Nu ligt er nog een pittoresk maar piepklein sluisje, en een groene dijk middenin het groene land. In café De Oude Herberg is volgens het bordje op de deur alleen toegang voor 50+, een criterium waar wij ruim aan kunnen voldoen, dus vol vertrouwen stappen wij binnen. Onze bestelling, twee maltbier (wij zijn 50+ en moeten nog rijden), stelt de barvrouw echter voor een probleem, want met al die verschillende soorten bier tegenwoordig heeft ze maar zeer beperkt ruimte in de koelkast, en nu Arie zo vreselijk ziek is geweest drinkt die ook alleen nog maar malt, dus ja, dan gaat het hard, en nu heeft ze nog maar één maltbiertje in huis. En hoewel wij het serieus als grap hadden bedoeld, kregen wij zonder morren één maltbier met twee glaasjes. Veel Haagser hadden we het niet kunnen wensen.




Eerdere etappes van het Hollands Kustpad zijn na te lezen op samenuitenthuis.wordpress.com
Meer wandelverslagen zijn te lezen op devrijewandeling.wordpress.com


maandag 3 november 2014

Bericht aan de lezer

Even een aankondiging vooraf, opdat er straks niet geschrokken wordt. Al vele jaren schrijf ik dit weblog als weblog van een huisvader. Sinds december 2001, om precies te zijn. En altijd met plezier, voor mijn eigen plezier. De afgelopen tijd wel steeds iets minder trouw, zoals misschien ook opgevallen zal zijn. Niet omdat zich geen nieuwe dagelijkse beslommeringen voordoen, dat niet, dagelijkse beslommeringen genoeg. Het is meer dat de formule een beetje begint te knellen. Het idee alle beslommeringen al wel eens gehad te hebben. Soms misschien wel meer dan eens, zoals dat nou eenmaal ook is, in het huishouden. En de behoefte de zaken wat breder te trekken. Ter inspiratie. Want schrijven blijft leuk natuurlijk. Op andere plekken op internet was ik al voorzichtig begonnen wat zijsporen te bewandelen, en dat beviel eigenlijk wel. Nu heb ik dus bedacht alle sporen gewoon maar via dit weblog te laten lopen. Zodat het niet langer alleen het weblog van een huisvader is, maar ook van een wandelaar, een schrijver, een beeldend knutselaar en meer in het algemeen een man van goede wil. Het zal even een beetje wennen zijn, ook voor mij, maar het zal allemaal wel lukken. Want ach, waar gaat het eigenlijk over, nietwaar?

woensdag 22 oktober 2014

Junior

Niet ontevreden over de gang van zaken stond de man, hoog op een ladder, in de nok van zijn huis iets handigs te doen, toen op de radio een gesprek werd aangekondigd met een Nederlands artiest. Getverdemme, een Nederlands artiest, op de radio. De man was allergisch voor Nederlandse artiesten op de radio. Meestal klonk het nergens naar, vaak had de man er ook nog nóóit van gehoord, maar wel hadden ze altijd praatjes voor tien, over zichzelf, en hun nieuwe single. Of anders was het Stef Bos wel, met dat onuitstaanbaar lijzige stemgeluid. Die had zelfs praatjes voor twintig. In het Suid-Afrikaans, dat ook nog. Brrr.
Meestal, wanneer er een Nederlands artiest werd aangekondigd, op de radio, voor een potje zelfpijperij, een nieuwe single of, nog erger, een exclusief live-optreden, was de man er zó snel bij dat de radio al uitstond vóórdat hij gehoord had wie de sfeer nu weer kwam bederven, met abominabel gekweel en quasi-poëtische abracadabra. Maar nu stond hij dus hoog boven op een ladder, in de nok van zijn huis, met van alles in zijn handen dat nog lang niet vastzat, hij had zelfs een stuk gereedschap tussen zijn tanden geklemd.. er was geen ontkomen aan. Noodgedwongen luisterde hij hoe de dj, ronkend van gedienstigheid, in gesprek ging met André Hazes Junior.
Ach Jezus ja, dat was waar ook, gromde de man, onverstaanbaar vanwege de schroevendraaier tussen zijn tanden, zo ging dat dan ook nog vaak, in Nederlands artiestenland: als je mammie, maar liever nog je pappie beroemd was dan hoefde je daar verder maar weinig meer aan toe te voegen, behalve natuurlijk de overduidelijk valse bescheidenheid dat je het als artiest toch vooral op eigen kracht wilde maken, en niet alleen vanwege je beroemde achternaam.
Dré Hazes, zoals hij volgens de man toch echt eerst heette, had daar duidelijk geen last van. Die vond het eigenlijk wel zo overzichtelijk om meteen maar helemaal hetzelfde te heten als zijn beroemde, nee, zijn vereerde vader. En om alle misverstanden uit te sluiten, hoorde de man daarna, had André Hazes Junior zijn nieuwe single - een wel zéér onbeholpen en wanstaltig slecht geschreven afgeleide van het toch al niet te harden My Way, dat zijn vader in zijn tijd natuurlijk ook al eens onder handen had genomen - ingezongen met de stem en intonatie van André Hazes Senior.
En zo, begreep de man, zou het ongetwijfeld gaan. Het Junior zou bij Junior al snel verdwijnen en Senior zou Senior achter zijn heilige naam krijgen. En dan had Nederland Muziekland opeens een hele nieuwe André Hazes, die nog járen meekon. Hoera.
Als de man André Hazes Senior was, zou hij zich omdraaien in zijn vuurpijl.

vrijdag 22 augustus 2014

Awkward, of zoiets

Wie zal het puberbrein ooit begrijpen? De man deed zijn best. Hij moest wel, trouwens, met twee voltijdpubers in huis. Zo had hij, nog niet eens zo gek lang geleden, een lezing bijgewoond, op de middelbare school van zijn jongens. Over het puberbrein ging dat. Langs welke ondoorgrondelijke wegen dat werkte. Of niet werkte, eigenlijk. En dat je als vader bijvoorbeeld niet meer de positie innam die je gewend was, die van held en allesweter, maar dat je gewoon niet echt meer cool was, bij die gasten. Nou wist de man dat natuurlijk allang van het onvolprezen lied ‘Op een mooie pinksterdag’ en viel dat bovendien tot nog toe nogal mee, met zijn jongens, maar het kon nooit kwaad het nog eens van een ander te horen.
Vandaag dacht hij ineens terug aan die lezing toen hij zijn jongste zoon tegenkwam, in het wild, de puberste van de twee. De man maakte een avondwandeling en zag in de verte zijn jongste zoon, op zijn stoerst, in het gezelschap van vooral een meisje. Wie het meisje was, wist de man niet, maar zijn jongste zoon duidelijk wel. Ze waren geanimeerd in gesprek. Op dat moment schoot hem een voorbeeld uit de lezing over het puberbrein te binnen. Een situatie precies als deze, puber temidden van peergroup, waarin je, aldus de expert, een ernstige fout maakte wanneer je je eigen vlees en bloed gedag zou zeggen. Laat staan enthousiast toe zou zwaaien. Je bekend zou maken als de vader of de moeder van. Dat dat awkward zou zijn. Of zoiets.
De man besloot dus het goede te doen, zijn jongste de vernedering te besparen en maakte zich ongezien uit de voeten, linksaf een zijstraat in. Tevreden over zijn modern vaderlijk inlevingsvermogen.
Lang duurde dat dan weer niet, want eenmaal weer thuisgekomen informeerde zijn jongste zoon of hij hem nou net had zien lopen? Waarom hij niet eens gezwaaid had, vroeg hij zich ook nog af.

maandag 11 augustus 2014

Maar wel lief

Zijn dochter had een huis gekocht, samen met haar vriend. Over groot worden gesproken. En daar moest, zoals dat gaat, het één en ander aan opgeknapt, verbouwd en geklust worden. De man had eigenlijk altijd gedacht dat hij met zijn eigen eeuwigdurende verbouwing wel een voldoende afschrikwekkend voorbeeld had gesteld, maar hij vond het toch ook wel weer aardig om te zien dat de appel dus ook weer niet zo ver van de boom viel als hij ook wel eens dacht. Hoewel er meteen bij gezegd moest worden dat zijn dochter het een stuk handiger aanpakte door het hele huis in één keer volgens een strakke planning binnenstebuiten te keren en daarbij héél veel aan de vakman over te laten, zodat het er voor haar in twee maanden opzat. Al bleven voor haar vader natuurlijk ook nog wel wat klusjes over. Gelukkig maar, de man voelde zich graag gestreeld door de gedachte dat hij af en toe nog nodig was, ergens voor. Dus zat hij met liefde anderhalf uur in de auto om haar te helpen met schuren, plamuren en aflakken. En zo werd dan tussen de bedrijven door ook zijn advies nog gevraagd. Hoe hij het zou oplossen met de nieuwe vensterbank en de verwarmingsbuizen, vroegen zijn dochter en haar vriend. Want dat zat elkaar in de weg. De man begreep onmiddellijk dat er een creatieve oplossing van hem verwacht werd. Dat een hoekje uit de vensterbank zagen niet afdoende zou zijn. Met verhelderende gebaren legde hij een alternatief idee op tafel. Waar het als een dood vogeltje bewegingloos bleef liggen. Heel even werd er met passende deernis naar gekeken. Ja, legde zijn dochter haar vriend toen uit, op een toon alsof ze het al wel gedacht had, mijn vader is niet echt van de práktische oplossingen.

zondag 10 augustus 2014

Voicemail

Nog een week vakantie, was er te gaan. Eén héle week. En daarna waren de dagen voorlopig waarschijnlijk nog steeds alleen maar gevuld met trivialiteiten als rooster ophalen en boeken kaften en etui inpakken en potloden slijpen. Nou had zijn oudste zoon een baantje, dus die was mooi hele dagen onder de pannen, tot ieders tevredenheid. Maar de jongste, ook alweer bijna vijftien trouwens, had eigenlijk niets om handen. Ja, zijn telefoontje, had hij om handen. De godganselijke dag, kon je wel zeggen, zat hij scheef onderuit gehangen op de bank op zijn schermpje te kijken. Als hij zijn bed ervoor uitkwam tenminste, want dat was ook geen uitgemaakte zaak. De man werd er ook wel eens opstandig van hoor. Tjongejonge. Het was niet eens meer een half oog, waarmee hij eraan bleef plakken als je iets tegen hem zei, er werd maar nauwelijks notitie van je genomen. Als je een klusje voor hem had, moest je eerst even wachten tot hij een gaatje in zijn game had gevonden. Of in zijn app-conversatie. En dan moest nóg alles met één hand gebeuren want wegleggen was geen optie. Het ding ging zelfs mee naar de wc. De man wilde niet eens weten waarom. Ten einde raad had hij zijn zoon vandaag het bindend advies gegeven iets te gaan ondernemen. Met zijn racefiets bijvoorbeeld, die er zo nodig moest komen. Ja, de man leek zijn vader wel, als hij zichzelf zo hoorde, maar goed. Nu was zijn jongste dus op weg naar zijn neef, twee uur fietsen van huis. De man kon tevreden zijn. En dat was hij ook. Al maakte hij zich ook een klein beetje ongerust dat hij na drie en een half uur nog altijd niets gehoord had over een behouden aankomst. Hij had al geprobeerd hem even te bellen. Maar er werd niet opgenomen. Zijn sms bleef onbeantwoord. Zijn zoon bleek onbereikbaar.

vrijdag 1 augustus 2014

Silence is golden

Om de lange rit terug naar huis te breken, hadden zijn vrouw en de man ergens tussen uit en thuis een hotel gereserveerd. Voor een overnachting. Met een eigen kamer voor hun jongens. Een goedkoop hotel, want het kon ook te gek. Een zéér goedkoop hotel, was het zelfs geworden. In Lille.
Na een lange, warme dag in de auto draaiden ze tegen de avond hongerig en moe het omhekte parkeerterrein op. Rond de sobere ingang van het hotel zwermde een bont gezelschap van smoezelige kinderen, rokende en bierdrinkende mannen, en donker kijkende vrouwen van het type waarzegster op de kermis, in lange rokken, op slippers en met om het hoofd geknoopte doeken. Naast de entree stond een barbecue opgesteld. Daarachter een nauwelijks geschoren en buikige man in hemdsmouwen, met een indrukwekkende snor, die voor een blijkbaar vrij grote familie kippenpoten zat te grillen. De belendende picknicktafels waren overwoekerd met een zorgwekkende hoeveelheid leeggedronken halve liter blikken van een bedenkelijk biermerk.
Bij de koffieautomaat in de karige lobby stond een man met diepliggende, koolzwarte ogen, een ontbloot, gebruind en zéér gespierd bovenlijf en een glimmende, zorgvuldig in jaren vijftig model geboetseerde vetkuif met grote moeite zijn agressie te beheersen. Omdat de automaat zijn muntje niet wilde accepteren. Met geheven vuist bedreigde hij het apparaat, in stilte, met vreemde, vertraagde gebaren. Ondertussen adviseerde de receptionist zijn vrouw en de man desgevraagd, met een beleefd maar meewarig lachje, de bagage liever niet in de auto achter te laten, zoals ze dus van plan waren geweest.
Zowel het raam als de deur van de hotelkamer was voorzien van een achterdochtig robuuste kierstandhouder. Een bijbehorende sticker legde in twee talen uit dat het hotel niet aansprakelijk kon worden gehouden voor de gevolgen van het niet gebruiken daarvan.
Vroeg in de avond stopte onder hun raam een afgeleefd busje in een rare kleur. Er stapte een vrouw uit, ook weer van het waarzegsterstype, die jaren geleden al was opgehouden zich nog om haar figuur te bekommeren en zich daar niet voor schaamde. Op luide toon begon zij een larmoyant gesprek met de bewoners van de kamer onder hen, terwijl haar man zich buikig met snor en de armen over elkaar geslagen op de achtergrond hield. Het gesprek ging gepaard met weidse armgebaren, gefleem en een levendige mimiek, maar leverde blijkbaar niet het gewenste resultaat op want even plotseling als ze waren gekomen, vertrokken ze weer, met hun busje.
In de gang hing een geplastificeerd verzoek om stilte na 22:00 uur. Ook in twee talen. Silence is golden, stond erboven. Uit verschillende omringende hotelkamers stegen voortdurend harde maar onverstaanbare stemmen, verontrustende geluiden en zelfs uiteenlopende etensluchtjes op. De man had er een zéér hard hoofd in. Hij voorzag een lange, slapeloze nacht. En dat werd het ook. Om 22:00 uur was het stil, daar niet van. Maar de man kon de slaap niet vatten. Hij lag te lijden van het lijden dat hij vreesde.

woensdag 30 juli 2014

Gered door de was

Op vakantie overkwam de man vaak hetzelfde als hem met oud en nieuw wel eens gebeurde. Op veilige afstand van huis en met de rest van de vakantie als comfortabele buffer nam hij zich dan allerlei voor, voor ná de vakantie. Vooral tijdens de lange, eenzame wandelingen die hij graag maakte, wilde hij wat dat betreft wel eens op hol slaan. Dat alles helemaal anders moest, bedacht hij dan vol overgave. Beter, minder, meer. Eerder, vaker, voortaan altijd. Of juist nooit meer. Dat soort dingen.
Ook dit jaar was het weer zover geweest. Al had hij zich, door schade en schande wijs geworden zogezegd, een beetje ingehouden met het nooit en het altijd. Maar er waren toch wel wat zaken, had hij zichzelf al wandelend ingewreven, die hij wat voortvarender aan zou kunnen pakken, als hij weer thuis was. Een béétje doortastender. Vasthoudender. Gestructureerder. Strenger voor zichzelf, zo u wilt.
Dus..
Nu was hij dan weer thuis. Temidden van allerlei zaken die inderdaad best wel eens wat voortvarender aangepakt zouden kunnen worden. Poe! Dat zou nog niet mee vallen.
Gelukkig was er ook drie kubieke meter wasgoed uit de achterbak van de auto gekomen. Kon hij daar vast een beetje mee oefenen.