maandag 15 december 2014

Op de tast

Er waren wel wat dingen waaraan de man vrij duidelijk merkte dat hij geen twintig meer was. Geen veertig meer ook trouwens. Neuh. Hij hoefde om te beginnen bijvoorbeeld alleen maar eens naar zijn jongens te kijken. Tjongejonge. Als de alwetende held en de beste van de wereld beschouwden ze hem allang niet meer natuurlijk, maar zo af en toe leken ze hem nog maar nauwelijks serieus te nemen.
“Já hoor pap, túúrlijk!”, met zo’n zware bromstem vol spot.
“Já hoor, kleine páppaatje”.
Want al was het pas een centimeter, ze waren hem inderdaad nog boven het hoofd gegroeid ook. Die grens was óók al gepasseerd. Daar kwam hij óók niet meer onderuit. Of bovenuit, net hoe je het wilde zien.
En als hij nog wel eens een zoen kreeg, voelde hij duidelijk baardhaar prikken.
Hij merkte het ook aan zijn dochter, die een vijfkamerwoning had gekocht, met haar vriend. Een ééngezinswoning. Vijf kamers! Eén ervan heette nu nog de extra kamer, maar de man vroeg zich af hoe lang nog.
Zijn jongste zoon was trouwens ook al met een vriendinnetje aan komen zetten. Nostalgische blikken op kinderfoto’s en weemoed om de dingen die voorbij gaan. Dus.
Maar bovenal merkte hij het toch aan zichzelf. Het lichamelijk ongemak. Ach man! Nee, dat viel beslist niet altijd mee. Het eeuwig gehaspel en gehannes met twéé brillen alleen al. Daar zou hij wel nooit aan wennen. Altijd had hij de verkeerde  op en zag hij wat hij wilde zien maar zo’n beetje op de gok. Stond hij zijn klusjes half op de tast te doen. Kletterden van bijziende onhandigheid de schroefjes en de boutjes  naar beneden, op de grond, de trap af, en zat hij minutenlang op zijn pijnlijke knieën, met zijn stramme lijf, om dat allemaal maar weer eens terug te vinden, op bejaard gevoel.
Vroeger hóórde hij nog wel eens waar iets ongeveer terecht kwam, als het viel, maar zijn gehoor werd er ook niet beter op, sinds hij geen vijftig meer was. In luidruchtig door elkaar heen orerend gezelschap bestond zijn conversatie inmiddels voor misschien wel zestig procent uit zinnen als: “Sorry, ik versta je niet”, “Zeg het nog eens?” en “Wat zei je nou?”. Of anders maar een wilde gok of schaapachtig lachen, in de hoop dat de vraag daarmee afdoende was beantwoord. Als het een vraag was.
En dan dat stramme lijf, dat zich steeds voorzichtiger ging bewegen, onzekerder, waarbij hij ook steeds vaker ergens tegenaan botste, iets omver stootte of ergens over struikelde. Wat dat betreft voelde hij zich helemaal ál meer een bejaarde. Of had hij dat al genoemd? Zijn geheugen had er ook duidelijk wat meer moeite mee, de laatste tijd. Stond hij weer bovenaan de trap te bedenken wat hij boven nou ook weer te zoeken had.
En het ergste van allemaal, zijn eigen chagrijn hierover, dat hem bij tijd en wijle vanuit een hoekje besprong, en hem dan maar niet meer met rust wilde laten.

zondag 14 december 2014

Our lips are sealed




















Uit de serie: GeenKunst
De wereld een beeldentuin. Voor een rondleiding, volg de gids.

vrijdag 12 december 2014

Happy end



Bij de meeste bioscoopfilms weet je van tevoren al precies wat je krijgt. Dat is de wet van het happy end. Daarom zijn ze vaak ook een beetje saai om heen te gaan, eigenlijk. Maar goed, je wilt ook wel eens met je vrouw naar de film natuurlijk, en die vindt dat leuk, dat ze mekaar krijgen op het eind. Die houdt niet van spanning en sensatie en moeilijk gedoe. Dus af en toe moet je er dan maar het beste van maken, en dat is in dit geval My old lady. Alles beter dan Gooische vrouwen, tenslotte. 
Waar het om draait, in My old lady, zien we van tevoren in de trailer op internet: een niet onknappe Amerikaanse man erft een groot appartement in hartje Parijs en denkt daar zijn financiële sores mee op te lossen, maar.. in het appartement woont tot zijn verrassing een oude dame, met haar niet onknappe dochter, die daar volgens een rare Franse wet tot haar dood mag blijven wonen en zelfs recht heeft op een maandelijkse toelage van de eigenaar van het appartement. De Amerikaanse man dus, in dit geval, met zijn financiële sores.
Nou, dan weet je het al.
Om te beginnen is die dochter in de pocket, dat lijdt geen twijfel. Al zullen ze eerst natuurlijk nog driekwart film ruzie maken en elkaar onuitstaanbaar vinden maar dán is het toch echt ónvermijdelijk: bingo! Happy end.
De oude dame is hoogstwaarschijnlijk een excentriek oud dametje, met een flinke scheut schattig, een mespuntje grappig en een kopje vilein. In de loop van de film zal ze nog wel een wijs adviesje of inzichtje in de aanbieding hebben, een levenslesje, en aan het eind zullen zij en de Amerikaan elkaar ondanks alles ongetwijfeld begripvol in de harten sluiten. Happy end.
Verder zal er wel een koper zijn, voor het appartement, een snelle jongen met het bord voor z’n kop van de zakenman, die het alleen wil hebben om er iets stuitend commercieels van te maken, en dreigt de Amerikaan aanvankelijk met hem in zee te gaan, omdat geld nou eenmaal geld is, voor een Amerikaan. Als dat maar goed afloopt, moeten we dan denken, maar dat doen we niet, want we weten het al. Anders krijgt hij die dochter niet. En geld maakt niet gelukkig, tenminste.. niet aan onze kant van het doek. Happy end.
Waarom zou je nog gaan kijken? Want als je al wéét dat de Amerikaan en de dochter elkaar in de laatste vijf minuten zielsgelukkig in de armen zullen vallen, terwijl de camera langzaam scherp stelt op het oude dametje dat op de achtergrond vertederd toekijkt, vanuit de serre van het appartement waarin zij nu veilig tot haar dood kan blijven wonen, hoe kunnen de ontwikkelingen die je níet één twee drie van tevoren had zien aankomen dan ooit nog spannend worden?
Dat worden ze dan ook niet. Hooguit onderhoudend. En daar is verder ook weer niks mis mee natuurlijk, dat is helemaal waar. Maar jammer is het wel. Er had wel wat meer ingezeten.

woensdag 10 december 2014

De X factor




















Uit de serie: GeenKunst
De wereld is een beeldentuin. Voor een rondleiding, volg de gids.

maandag 8 december 2014

Vrijdag gehaktdag

Vis, dacht de man in de supermarkt, als antwoord op de eeuwige dagelijkse vraag: wat zullen we vanavond nou weer eens eten? Vis, dat was een goed idee. Dat was lekker makkelijk en makkelijk lekker. Tevreden over deze ingeving ging hij op weg naar de koelvitrines. Het aanbod was niet overweldigend, zag hij al gauw, maar goed, het was de visspeciaalzaak niet, het was de supermarkt, en daar paste het aanbod nou eenmaal achter twee koeldeuren.
Vóór die deuren had zich een dame geposteerd, met breeduit zo’n nieuwerwets winkelmandje op wielen, met zo’n lang, inschuifbaar handvat. Zo’n stewardessenrolkoffer voor de boodschappen. De man vond ze niet handig. Ze waren te groot voor de snelle boodschap waar je nou juist een mandje voor nam, zodat je bij de kassa altijd met veel te veel boodschappen stond voor de tas die je niet bij je had, en je liep ook nog eens de hele tijd te bukken om je koekjes niet te breken en je bananen niet te kneuzen.
Het was een deftige dame, waar hij even op moest wachten tot zij haar keus had gemaakt. Ze had wel een klein hoedje op, maar van een gedekte kleur. Ze was ook te oud en waarschijnlijk veel te deftig om stewardess te zijn, maar ze had er wel het postuur voor gehad, zag de man. Slank en rijzig. Voornáám.
Hij had alle gelegenheid voor dit soort ongebruikelijke en misschien zelfs ongepaste overpeinzingen want de dame nam haar tijd. Met trage, deftige bewegingen opende ze uiteindelijk één van de twee deuren en pakte een voorverpakte forel. Ze bestudeerde de vis en het etiket aandachtig. Een leesbril had ze daar blijkbaar niet bij nodig, maar of stewardessen die wel of niet mochten hebben, wist de man eigenlijk niet. Piloten, meende hij te weten, mochten geen bril. Of dat was vroeger zo. Enfin, het deed er ook niet toe, want de dame wás geen stewardess.
Net toen de man dacht dat ze de vis in haar rolkoffermandje zou leggen, met een deftig kniksje misschien wel, hoopte hij, bedacht de dame zich echter, opende de deur opnieuw en legde de vis terug. Om meteen een andere te pakken. Ook een forel. Zo op het oog, vanaf zijn gepaste afstand, was er geen verschil, maar dat ging de dame nu op haar deftige gemak bestuderen.
Voorzichtig, aarzelend, maakte de man een kleine voorwaartse beweging, richting de koeldeuren, richting de dame, in de hoop dat hij werd opgemerkt, al was het maar vanuit een ooghoek. Dat er een glimlachend stapje opzij werd gedaan, een klein beleefd handgebaar van gaat uw gang, zodat hij ook.. maar de dame had alleen oog voor de forel en zijn etiket. Ze zou geen góede stewardess geweest zijn.
Net toen de man dacht dat ze de vis in haar rolkoffermandje zou leggen, het deftige kniksje hoefde van hem al niet meer eerlijk gezegd, bedacht de dame zich echter opnieuw, opende de deur nogmaals en legde de vis terug. Om toch de eerste forel weer te pakken. De man zag nog steeds het verschil niet. Misschien was de ene iets kleiner of groter, misschien was er verschil in de houdbaarheidsdatum, misschien keek de ander iets prettiger uit de dode ogen, wie zou het zeggen. Het was iets tussen de dame en de vis. In elk geval, dacht de man, opgelucht bijna, had ze nu haar keuze gemaakt en kon hij óók verder met zijn boodschappen.
Toch was het blijkbaar ingewikkelder, want hoewel de man nu toch echt dacht dat ze deze forel in haar nog lege winkelmandje zou leggen, begon de dame de vis en het etiket opnieuw te bestuderen, waarbij ze als enige vooruitgang in de gang van zaken af en toe een vergelijkende blik in de vitrine wierp. Op de andere vis, begreep de man.
Hij had opeens geen trek meer in wat voor vis dan ook.
Hij nam wel gehaktballen.
Daar waren ze thuis óók dol op.

vrijdag 5 december 2014

Haven, vissersboot, vuurtorenlicht



Zijlstra. Ja. Ik weet eigenlijk nooit zo goed wat ik daar nou echt van vind. Wel wat ik ervan móet vinden want onlangs kreeg hij nog de Dirk Witte Prijs uitgereikt, voor zijn hele oeuvre maar meteen, dus dat is wel duidelijk en dat bedoel ik dan ook niet. Een eigen mening, dat ligt moeilijker.
Okay..
Ik vind het wel een leuke man, geloof ik. Een eigenwijs sujet. En een grappig verschijnsel, zo’n voormalige zeebonk die jazz heeft gestudeerd, trompet speelt en eigentijdse liedjes zingt over de zee, en Durgerdam. Goeie stem ook. Heel eigen geluid, ongepolijst. Authentiek. Helemaal Zijlstra, om het op zijn Noordhollands te zeggen. Best een lekker liedje, denk ik vaak, als ik wat hoor langskomen. Pakkend. Heel eigen geluid, ongepolijst. Authentiek. Helemaal Zijlstra. Maar een andere keer heb ik het ook wel weer eens even een beetje gehad met dat eeuwige zout en zand en zee. Haven, vissersboot, vuurtorenlicht. Denk ik trouwens ook wel eens (ik durf het bijna niet te zeggen): en wanneer ga je dat liedje nou afmaken? Qua tekst?
Tja.
Maar wel benieuwd genoeg om een concert te bezoeken. Tuurlijk. Leuk!
In Wieringerwaard, praktisch geboortegrond voor Zijlstra, had het Witte Kerkje iets te vieren, vertelt de dame van het organiserend comité voor aanvang onwennig in de microfoon. En toen had iemand dus de naam Zijlstra laten vallen. Zijlstra.. ja.. hadden ze toen gedacht.. ja.. daar hadden ze toch eerst eens een cdtje van op moeten zetten.
Zijlstra zelf staat het allemaal geduldig aan te horen, in de tochtige gang van het kerkje. Het is koud buiten. Echt november. Hufterig Sinterklaasweer. Maar het kerkje zit stampvol. Leuke man, die Dirk Witte, zal hij daar straks een grapje over maken.
Het bestuur, vervolgt de dame van de organisatie haar succesverhaal, was wel verbaasd geweest dat er zó enorm veel belangstelling was, voor Jeroen Zijlstra. Nog nooit was het namelijk zó druk geweest, in het kerkje. Dát hadden ze niet verwacht.
Zijlstra staat nog altijd in het gangetje van de kerk, waar hij straks, na de voorstelling, zijn cd’s zal verkopen. Hij wacht tot de dame is uitgesproken. Hij overziet zijn publiek. De gemiddelde leeftijd ligt behoorlijk hoog. Beschaafd, aandachtig publiek. Nu al, voor de dame van de organisatie. Een rolstoel hier en daar. Dames met brillen en praktisch haar. Grijze, kort maar gedekte of kalende mannen. Het wordt een middag over erotiek, zal hij daar straks een grapje over maken. Kunnen ze wel hebben. Er zal beleefd om worden geginnegapt.
Een huishoudelijke mededeling, heeft de dame van de organisatie nog, en die betrof de pauze. Daarin zouden de vrijwilligers van het comité lángskomen met de koffie, de koekjes en de thee. Dan kon iedereen dus óp zijn plaats blijven zitten. Dat was, had de organisatie gedacht, het makkelijkste. Als iedereen zélf zijn koffie of thee zou gaan halen, zoals normaal, zou het allicht een chaos worden, in dat kleine gangetje, met zoveel mensen.
Dan is het zover, de voorstelling kan beginnen. Zijlstra loopt door het kerkje naar voren, neemt het altaar met een sprongetje, pakt zijn trompet en speelt een gedragen intro. Het is muisstil in de kerk.
Hij zingt een eerste lied, a capella. Over het afscheid van het vissersbestaan, gaat het. Een motto, lijkt het. Mooi, klinkt het, die hoge, hese stem, breekbaar in de devote stilte. Wat een mooi begin, ik ben al bijna om. Een vrolijk doordenderend liedje over Kappie, de dappere stripheld van weleer en Marten Toonder, trekt me verder over de streep. Pêp pêp.
Zijlstra is in zijn eentje vanmiddag, zonder band. Zelf moet hij er ook weer een beetje aan wennen. Het is de schuld van die andere Zijlstra, Halbe, zegt Zijlstra. Met z’n bezuinigingen. Daardoor moet hij nu in dit soort kerkjes spelen. Wat een fantástisch kerkje, roept hij dan. Omdat het te laat is om nog op zijn tong te bijten.
Zijlstra begeleidt zichzelf op een elektrische piano. Is het niet te hard, vraagt hij maar even, voor de zekerheid. Of te zacht? Kan iedereen hem goed verstaan? Hij staat op en draait toch maar aan een knopje. Ja, zo is het beter. Voor één liedje verkast hij nogal omslachtig naar een andere piano. Een echte. Gedoe natuurlijk. Hij moet er het altaar weer voor af en over benen heen stappen, zorgen dat het snoer van de microfoon geen ongelukken maakt onderweg en als hij erachter zit, is hij voor niemand nog te zien. Dus dat is niks. En wie hoort het verschil? Maar ja, anders heeft het comité dat ding helemáál voor niks laten stemmen, nu hij zijn keyboard mee heeft. Applaus voor de pianostemmer, maakt hij er dan maar een grapje van.
Zijlstra zingt zijn liedjes, speelt piano, vertelt zijn anekdotes tussendoor. Over zichzelf op zee, de vissersboot, de Wieringen zoveel, doorspekt met jargon en zelfspot. Over bekende Nederlanders gaat het ook, en over het vak. De kerk hangt aan zijn lippen.
Zijn trompet komt er nog maar één keer, héél even aan te pas. Logisch natuurlijk, want je kunt meteen niet meer zingen én niet meer pianospelen, en alleen trompet.. daar komen de mensen niet voor. Jammer. Het had voor wat golfslag kunnen zorgen, op de kabbelende zee, om ook wat de beeldspraak betreft op bekend vaarwater te blijven.
Zijlstra zet een liedje stiekem opnieuw in, omdat het niet echt lekker gaat. Probeert eens een ander geluidje, op z’n keyboard, maar besluit op het laatste moment van toch maar niet. Breekt een liedje af, omdat hij het even helemaal kwijt is en het ook na een instrumentale zoektocht niet terugvindt. Buiten, achter de hoge ramen, valt de avond weer iets vroeger dan gisteren. Binnen blijft er met wat peertjes en een kaars te weinig licht over om Zijlstra nog echt goed te zien. Niemand vindt het erg. Het verhoogt vooral de intieme huiskamersfeer die er in het kerkje hangt.
Dan is het afgelopen. De dame van de organisatie bedankt Jeroen, Zijlstra is vanmiddag Jeroen geworden, voor zijn geweldige optreden. Hij krijgt een fles en drie zoenen. Het publiek vraagt om nog één keer Durgerdam. Maar Zijlstra wil eerst een biertje, in de consistorie staat een sixpack, heeft hij toevallig gezien. De dame van de organisatie vliegt al. Ondertussen vertelt Zijlstra van zijn nieuwste cd.
Zijlstra zingt nog één keer Durgerdam en doet dan goede zaken in het tochtige gangetje. Buiten is het koud, en donker. Hufterig Sinterklaasweer. In de auto zetten we het gesigneerde exemplaar van ‘Wieringer in Havana’ op. Het busje van de pianostemmer rijdt langs, en verdwijnt in de avond.

woensdag 3 december 2014

Old soldiers never die




















Uit de serie: GeenKunst
De wereld een beeldentuin. Voor een rondleiding, volg de gids.

dinsdag 2 december 2014

Scherven van een leeggedronken nacht



Er verdrinken meer mannen in hun glas dan in de zee. Frans van Deursen zegt het. Blijkt uit onderzoek, beweert hij erbij, maar welk onderzoek dat is, is hij gemakshalve vergeten uiteraard. Zo gaan die dingen. Het zal zijn eigen zoektocht door het repertoire van Tom Waits geweest zijn want daarin wordt nogal wat liefdesverdriet en zelfmedelijden verzopen. Met verve, overigens. En met evenveel verve vertaalde Frans van Deursen een selecte greep uit dat repertoire in het Nederlands, voornamelijk gekozen van de oudere elpees, toen elpees nog elpees waren, en geen vinyl. Het pre-Swordfishtrombones-tijdperk, waarin Tom Waits nog iets meer op de paden loopt, en zelf ook nog voornamelijk de door het leven en de liefde gekwelde nighthawk uithangt. The piano has been drinking..
Verhalende liedjes, smakelijk verteld, quasi-achteloos, soms meer gesteund of gemompeld dan gezongen, met die typische stem, want we hebben het nu nog even over Tom Waits. Frans van Deursen kiest gelukkig voor zijn eigen stem, en niet voor een tot mislukken gedoemde imitatie. Liederen vol slechte gewoontes, pijnlijke bekentenissen, oud zeer en verse wonden, maar altijd met net genoeg humor om het draaglijk te houden. Zwarte humor, dat spreekt.
En dat dan in het Nederlands, nu. Prachtig Nederlands, ook nog. Jazeker! Zo kan het dus ook, dames en heren van het Nederlandse lied! En het is werkelijk schandalig dat Nederland Top2000-land met voetbalstadions tegelijk uitloopt voor héél matige volkszangers met bizar slechte teksten, terwijl deze drie mannen voor een nauwelijks halfvol zaaltje in het kleinste theater van Hoorn staan te spelen.
Zo, dat moest ik even kwijt.
Waarmee ik niets ten nadele van het kleinste theater van Hoorn gezegd wil hebben, want dat is dan weer wel precies zo’n theater waar een intieme voorstelling als deze het best tot zijn recht komt. Hóeveel zijn er dáár nog van?
Maar goed. Prachtig Nederlands dus. Uitstekende vertalingen. Net zo zwartgallig melancholiek en poëtisch als hun illustere origineel. Trouw ook, aan het origineel, waar dat kan, en origineel afwijkend waar dat beter past. En doordat er ook nog typisch Nederlandse verschijnselen als kopstootjes, de Elfstedentocht en Ard en Keessie worden binnengesmokkeld, worden het liederen die klinken of ze altijd al Nederlands geweest zijn. Tom Waits? Wie was dát ook alweer? Nou goed, ik overdrijf. Maar toch..
Een moment van teleurstelling is er ook. Meteen bij het binnenlopen van de zaal, nog voor er een noot gespeeld of gezongen is, nog vóór het welkomstapplaus. Bij de ontdekking dat er géén contrabas en géén drumstel op het podium staan. Terwijl wij ons daar nog wel zo op hadden verheugd, mijn zoon de drummer en ik. In afgeslankte vorm, noemen ze het zelf, en ach, geef ze eens ongelijk, met dertig man in de zaal, maar een béétje jammer is het wel.
Heel lang hoeft de teleurstelling dan ook weer niet te duren trouwens, want alleen naar Wouter Planteijdt, niet de eerste de beste gitarist, kun je al een hele avond kijken zonder je te vervelen. Wát een avontuurlijke, weerbarstige begeleiding! En wát een geluiden komen er uit één en dezelfde gitaar. Van nauwelijks hoorbaar gefluister tot bijtend en scheurend ordinair. En zelfs psychedelisch achterstevoren. Via een toverkastje weliswaar, maar daarvoor moet alles dus wel net iets te vroeg gespeeld worden, mag je aannemen.
Mooie!, roept de gitarist vervolgens naar de pianist, Leo Bouwmeester, als die een onnavolgbare brug van het ene naar het volgende nummer heeft zitten improviseren. Wat een plezier om te zien hoe de muzikanten elkaar ook af en toe lijken te verrassen. Dat ze blijkbaar niet hun vaste riedel staan af te werken maar elke keer weer wat anders zoeken, terwijl de andere twee geboeid zitten toe te kijken hoe dat deze keer weer eens af zal lopen.
Behalve begenadigd zanger en schrijver/vertaler is Frans van Deursen ook acteur en dat laat zich merken. Niet alleen brengt hij zijn teksten voor het voetlicht tot leven, tussen de gezongen bedrijven door weet hij de zaal op zijn tijd mee te nemen met goed opgebouwde, amusante en soms ontroerende monologen.
Hoe een afgeslankte band en een halfgevulde zaal samen toch een fantastische avond kunnen hebben. Het ongelijk van de thuisblijver bewezen.

Op de site van Frans van Deursen staat een speellijst. Die is niet lang meer, en als ik ook maar enigszins in de buurt van Gorinchem of Elst zou wonen, zou ik zeker niet twijfelen.
De gelijknamige cd is te koop, op het bekende adres.

zondag 30 november 2014

Een eiland aan de vaste wal



Parkeren is niet mijn sterkste kant, met mijn nog prille rijbewijs. Daarom heb ik het dus ook eigenlijk nog niet echt gedaan, bij aankomst in Hippolytushoef, het eindpunt van vandaag. Alleen maar even van hoppetee een vak in, voor zolang, of eigenlijk bijna twee, om te bellen naar mijn wandelgenoot, waar ze is. En dan snel weer weg want ze zijn hier een markt aan het opbouwen en dat wordt me straks veel te ingewikkeld. Maar voor ik het allemaal goed en wel voor elkaar heb, staat er een vrachtwagentje met marktkramen stijf achter me, om me op te sluiten in mijn vak. Scheef geparkeerd en al. Vandaar dat we met de auto van mijn wandelgenoot naar het beginpunt in Oudesluis rijden. Dan zien we vanavond wel verder. Die markt zal na tweeën wel weer opgeruimd worden, stel ik mijzelf gerust.
In Oudesluis zijn alle deuren en ramen gesloten, het is hier blijkbaar nog te vroeg, in elk geval voor koffie. We zullen zonder op pad moeten, dus daar gaan we. Over de Kneeskade langs de Boezem van de Zijpe richting Anna Paulowna. Aan de topografische namen ligt het weer niet in elk geval. En aan het weer al helemaal niet: het is de laatste dag van oktober vandaag, morgen is het november, stel je voor.. theoretisch zou het grijs en guur moeten zijn, maar wij lopen zonder jas in korte mouwen met onze bol in de zon. Precies wat we nodig hebben, dat wel.
Dat het natuurlijk toch gewoon herfst is, wordt verraden door de gele en zelfs al kale bomen, strak in het gelid langs de polderweg, het geel en bruin geworden ruisend riet in de vaart en de afgejakkerde akkers van zwart glimmende klei. Een Beet-eater - een torenhoge, rode geweldenaar met handenvol manshoge banden en een agressief ogende constructie van tandwielen, schoepen, messen en bladen voorop - draait vlak voor ons de weg op, razend en blazend, de kooi bovenop voor de helft gevuld met nog de laatste bieten. Het is een scherpe bocht en een smalle weg en het past ook eigenlijk niet, maar het lukt natuurlijk toch. Met zo’n gevaarte lukt alles. Wij staan erbij en kijken ernaar. En lopen daarna voorlopig nog in de modder, die uit de kniediepe profielen van al die banden stort.
De Boezem van de Zijpe, aan onze linkerhand, is het enige water in deze omgeving dat niet langs een liniaal in de verte verdwijnt, maar dat meanderend zijn eigen gang lijkt te gaan om, van ons en Oudesluis uit gezien, langzaam te verbreden en uiteindelijk terecht te komen in het Amstelmeer. Ik durf hier niet te beweren dat het zo is, maar misschien is het een in het verleden door stroming en woelige baren gevormde geul, bij de inpoldering gedoogd, gespaard gebleven, ingelijfd, om in te zetten bij het ontwateren van het gebied. Het enig overblijfsel nog van de hier ooit allesbepalende zee.



Met de blik op oneindig, of we willen of niet, steken we langs een lange, lange, lange en kaaaarsrechte weg de lege Anna Paulowna Polder door en staan dan met toch iets van zeewind in de haren op de grasdijk rond het Amstelmeer. Aan de overkant van het water ligt Wieringen, het vergeten Waddeneiland, zoals het zichzelf noemt. Al is het natuurlijk al geen eiland meer sinds de inpoldering van de Wieringermeer, in de dertiger jaren van de vorige eeuw. En dat is ook alweer bijna honderd jaar terug. Het schijnt ook niet altijd een eiland geweest te zijn trouwens. Ooit lag het gewoon vast aan de hoogveengebieden, tot een flinke storm daar in 1200 een einde aan maakte. Maar, vanaf hier, met aan alle kanten water in het blikveld, als we de Amsteldiepdijk verderop even negeren, ziet het er inderdaad uit als een eiland, aan de einder. En ook als we een flinke wandeling later De Haukes binnenlopen, de vergeten haven, is het goed te zien. Het landschap onderscheidt zich duidelijk van wat we verder gezien hebben, deze dag. Licht glooiend, organisch en kleinschalig verkaveld, met bochtige weggetjes, rommelige erfjes, tuunwallen en op een kluitje bij elkaar gekropen en geveegde boetjes, bouwsels en buurtschappen. Het waddeneilandgevoel is onmiskenbaar.
Café de Postboot, gezien de naam ook vroeger al de eerste kennismaking met Wieringen, sluit daar aardig bij aan. De zaak ligt er wat in zichzelf gekeerd en donkertjes gesloten bij, maar de deur gaat na enig aandringen toch gewoon open en we stappen een andere wereld en tijd binnen. Het is moeilijk te zeggen welke precies, maar het ís al een tijdje geleden en sindsdien is hier niet veel veranderd. Voor ons hoeft dat ook niet, laat dat duidelijk zijn. Liever niet zelfs. Volledig doorgestylede maar kleurloze grand café’s met zonder bediening zijn er al genoeg. Gelegenheden als De Postboot kleuren je dag.
Onze komst wordt gemeld door een klein, vaalwit hondje dat het op een gemeen keffen zet. Boven ons hoofd horen we het houten plafond stommelen en klinken voetstappen, die we op veilige afstand van het hondje volgen tot aan de trap in de andere hoek, waar even later de gastvrouw haar intrede doet. Ze maant het beest kort tot stilte en ontvangt ons dan met laconieke vanzelfsprekendheid. Terwijl wij ons aan de leestafel met plaatselijk nieuws voorzichtig afvragen of we wel genoeg contant geld bij ons hebben, omdat het wel duidelijk is dat er in deze tijdzone niet kan worden gepind, leest de vrouw aan de bar haar krant en maakt een praatje met een groezelige man die een pakje zware shag komt kopen. Het vaalwitte hondje neukt ondertussen gedurig, met vreugdeloze volharding een al even vaalwitte knuffelolifant, die zich het leven als knuffel ook anders moet hebben voorgesteld.
Als we weer op pad gaan, raadt de vrouw ons aan straks in Hippo vooral naar de Halloweenmarkt te gaan. Omdat dat zo leuk is. Ik trek daaruit de conclusie dat ik mijn auto straks zonder kleerscheuren tussen de volgepakte marktkramen en het drentelend publiek uit zal moeten manoeuvreren. Over griezelen gesproken. Ik probeer er de rest van de wandeling maar niet al te erg tegenop te zien. Dat zou zonde van Wieringen zijn.





Een etappe van het Hollands Kustpad, van Oudesluis tot Hippolytushoef, gelopen op vrijdag 31 oktober 2014
Meer wandelverslagen van het Hollands Kustpad zijn te lezen en te bekijken op samenuitenthuis, weblog van een wandeling.
Nog meer wandelverslagen zijn te lezen en te bekijken op de vrije wandeling, weblog van een wandelaar.


donderdag 27 november 2014

101 ogenblikken



In het Stedelijk Museum van Alkmaar waren we op bezoek bij een tentoonstelling van Theo van Houts. De beste tijdschriftfotograaf van Nederland, volgens de bijsluiter. 
Waarom iets altijd meteen het best of het grootst of het hoogst of het warmst of het koudst moet zijn, begrijp ik niet zo goed. Het zal wel door het alomtegenwoordige dwdd komen, dé smaakbepaler hier te lande, waar ook alles en iedereen uitsluitend in de overtreffendste trap wordt besproken.
Persoonlijk ken ik lang niet alle tijdschriftfotografen, ik wist niet eens dat het een aparte soort was, dus of Theo van Houts de beste is, weet ik niet. Het lijkt me ook lastig te bepalen want er zijn nogal wat verschillende tijdschriften. Het is ook niet zo interessant natuurlijk, want niet alles is een wedstrijd. Waarom kunnen we niet gewoon zeggen dat Theo van Houts een goede tijdschriftfotograaf is. Dan weten we óók waar we het over hebben, en aan de tentoonstelling doet het verder geen afbreuk. Sterker nog, het tempert de verwachtingen wat, en opent zo de wijde, niet vooringenomen blik. We zouden er geen woord teveel mee zeggen ook, want Theo van Houts is inderdaad een goede fotograaf.
Dit is fotografie uit het pre-digitale tijdperk. Uit de tijd dat fotograferen nog een eerlijk ambacht was. Van één keer afdrukken, op het goede moment en wéten wat je doet, omdat je pas thuis, in de donkere kamer, kunt zien wat je gedaan hebt, en geen photoshop om je eruit te redden. De toegevoegde waarde van schoonheidsfoutjes. Alleen daarmee geeft deze tentoonstelling al een tijdsbeeld.
De foto’s van van Houts zijn een feest van veelbetekenende blikken, houdingen en gelaatsuitdrukkingen, op precies het goede moment genomen. Het dubbelportret bijvoorbeeld, van een vergeten bekendheid met zijn al even fatterige assistent, elkaar de loef afstekend in arrogante decadentie. Twee vechtende jongens op straat, in een kring van omstanders die daar elk op hun eigen manier getuige van zijn. En wij dáár weer van. De voelbare ijskoude minzaamheid van twee Staphorster vrouwen. Spannende, gelaagde taferelen.
Niet in honderd maar in honderd en één foto’s leidt de tentoonstelling ons zo langs momenten uit drie decennia Nederland. En het zou leuk zijn als het waar is wat ik denk, namelijk dat die éne foto er misschien ook wel op het laatste ogenblik is bijgehangen. Buiten de rubrieken om, een beetje alleen en opzij van de rest, hangt een foto van Sinterklaas, met zijn zwarte knecht. Ontredderd, en volkomen verloren staan ze in de zompige middenberm van een verlaten snelweg. Op net zo’n waaierige, grijze novemberdag als vandaag. Maar dan in 1963. Met de omineuze titel ‘Sinterklaas verdwaald’ zou deze foto zomaar een subtiele knipoog kunnen zijn. Naar de actualiteit, zal ik het maar noemen.
De meeste foto’s in de tentoonstelling zijn uit de zestiger en zeventiger jaren, en wat vooral opvalt is hoelang die alweer geleden zijn, als je de foto’s mag geloven tenminste. Ik vind het maar moeilijk voor te stellen dat ik deze tijden dus zélf heb meegemaakt. Als kind weliswaar, maar toch. Een boerenfamilie in Twente die je, als je moest raden, op kort na de tweede wereldoorlog zou schatten, blijkt gefotografeerd in 1972. Een groepje ouwelijke studenten, zichtbaar luidruchtig discussiërend op een trappetje van een herenhuis, straalt in alles de vijftiger jaren uit, in 1977. Die grenzen door de tijd lopen blijkbaar niet zo strak als we altijd maar denken. Een bijzondere ontdekking. En leuk om zelf te zien dat dat nog steeds zo is, als je om je heen kijkt.
Als we beneden aan de koffie zitten, zien we buiten op straat een flamboyante figuur langs struinen, pak en stropdas stijlvol fladderend op de wind en de maat van zijn ferme tred, een sigaret rokend met de vanzelfsprekende nonchalante flair van de jaren zestig. En in de Volkskrant van vandaag staat een foto van een dame die een 3D scan maakt van een beeldje van Picasso, met een apparaat dat het futuristisch midden houdt tussen een strijkijzer en een waterkoker en waaraan je nu, in 2014, al kunt zien hoe koddig ouderwets we dat over een jaar of tien waarschijnlijk al zullen vinden.

De tentoonstelling 101 ogenblikken van Theo van Houts is tot 1 februari 2015 te zien in het Stedelijk Museum van Alkmaar.

woensdag 26 november 2014

Volgens ons hield hij iets achter




















Uit de serie: GeenKunst
Voor een rondleiding door de beeldentuin, volg de gids.

dinsdag 25 november 2014

Beleefd

Pardon, hoorde de man achter zich, bij de kassa van de supermarkt. Nietsvermoedend stond hij over zijn karretje en de lopende band gebogen, druk in de weer met de boodschappen en blijkbaar stond hij daarbij iemand in de weg. Ja, dat kon gebeuren, dat was helemaal niet erg. Het paste ook allemaal maar net soms, al die klanten met hun volle karren in het smalle gangpaadje tussen de kassa’s door. Met ook nog dat hekje in het midden, en de goed-Hollandse traditie om zo dicht mogelijk op elkaar te dringen uit angst dat er anders een ander voorkroop. Kinderwagens, rolstoelen met uitstekende krukken, heen en weer drentelende kleuters. Kleuters die het hekje als klimrek gebruikten. Mensen die weer terug moesten, langs de rij, omdat ze de broccoli niet hadden afgewogen. Mensen die er langs wilden zónder boodschappen, of een vergeten boodschap die er ook nog bij moest, of met de afgewogen broccoli. Het kon allemaal en de man vond het altijd allemaal best, als er iemand pardon zei, deed híj een stapje opzij. Nu ook. Vriendelijk en misschien zelfs alvast wat verontschuldigend glimlachend keek hij even om. Maar zijn welwillende blik ketste af op een sportschoolbrede en onverzettelijke rug, die hem geen blik waardig keurde. De zojuist door hem vrijgemaakte ruimte werd zéér overtuigend ingenomen door een imponerende verschijning. Een mooi exemplaar van de homo sapiens alpha, zogezegd. Het standaardplaatje: kaalgeschoren hoofd, ingeschroefde oorringen, trainingsjack, capuchon, joggingbroek, sportschoenen, héél veel biceps en triceps en wat al niet en vast ook nog wel ergens een flinke tattoo. En zo’n vierkant sikje aan zijn onderlip. Wijdbeens, de machtige armen over elkaar en zich nog breder makend dan hij toch al was, nam de imponerende verschijning zoveel mogelijk ruimte in, in twee rijen tegelijk. Hoewel hij niet in de rij stond, uiteraard, de rij stond om hem heen. Hij stond hier want hij stond hier. Mocht dat soms niet? Hij roffelde nog net niet op zijn borst, dacht de man elitair. Toch vond hij het ook wel weer grappig dat zo iemand daar dan dus eerst pardon voor zei.

maandag 24 november 2014

Cirkel in het gras




















Uit de serie: GeenKunst
Voor een bezoek aan de beeldentuin, volg de de gids.

vrijdag 21 november 2014

In de wespenval

Tjonge, we moeten goed uitkijken waar we onze blote voeten neerzetten, de laatste weken, in de slaapkamer. Op de hele bovenverdieping, eigenlijk. In alle slaapkamers. Bijna dagelijks liggen er stervende wespen op de vloer. Moe en futloos kruipen ze rond, soms met wel drie of vier tegelijk, dralend op weg naar het einde. Of ze zoemen nog zo’n beetje zomers tegen het glas van de balkondeuren, of het dakraam, dicht allebei, zo halverwege november, maar dat is met hun laatste krachten, dat is duidelijk te zien. Straks darren ze ook op de grond. En als je er dan op stapt, omdat je niet oplet, zul je maar net de laatste zijn die ze gauw nog even steken.
Nou ja, het is niks nieuws hoor, het is half november, dan is het gewoon de hoogste tijd om dood te gaan, voor wespen. Alleen de koninginnen, die blijven leven. Om in het voorjaar een nieuw nest te beginnen, zodat we de volgende zomer ook weer lekker last van wespen op de appeltaart kunnen hebben. Tenminste, dat is wat ik ervan onthouden heb.
Goed nieuws is het ook niet trouwens. Ja, je kunt natuurlijk denken: de enige goede wesp is een dooie wesp en iedere dooie wesp is er weer één minder, maar daar valt om te beginnen misschien nog wel wat op af te dingen, wespen schijnen reuze nuttig te zijn, in de kringloop van het leven, maar bovendien bedoel ik dat niet. Nee, ik bedoel.. ik neem niet aan dat al die wespen van heinde en verre naar ons huis komen vliegen om hier in alle rust hun laatste wespenadem uit te komen blazen. Al weet ik eigenlijk ook niet of wespen ademen, maar goed, dat zal wel, al gaat het waarschijnlijk anders dan bij ons. Wat ik wil zeggen, één stervende wesp die toevallig binnen is komen waaien, daar kan ik nog wel inkomen. Maar als het er tientallen zijn, weet je het eigenlijk al. Dat kan maar één ding betekenen. Je kunt het wel raden, en inderdaad, na een korte zoektocht blijkt wat we al vermoedden: we hebben een wespennest onder de pannen.




















Het vreemde is wel dat we dat de hele zomer niet gemerkt hebben.  Niet één wesp hebben we binnen gehad. En in de tuin is ons ook niks bijzonders opgevallen. Terwijl, als ik nu die stoet eens bekijk, die onder het dak af en aan vliegt, en naar binnen en buiten kruipt.. dat moeten we dan toch eerder hebben gezien. Het is vlak boven de fietsenschuur, nota bene. Aan de andere kant lijkt het me ook sterk dat ze nú nog eens aan een nest gaan beginnen. Of zouden ze vast een beetje vooruitwerken, voor volgend jaar? Dat de koningin dan niet alles zelf hoeft te doen?
Je weet het niet met wespen. Ik heb het altijd nare beesten gevonden, zoals de meeste mensen, vermoed ik. Als ik er één dood kon slaan, deed ik het. En grondig bovendien, want ik was ook nog eens een schijterd. Tot we op een kampeervakantie iets bijzonders zagen, met wespen. Toen ben ik er anders over gaan denken.
Het was een goed wespenjaar dat jaar, want er waren er heel veel. Daarom hadden we een wespenval in elkaar geknutseld. Dat hoort eigenlijk met een petfles, maar wij hadden het met zo’n plastic gebaksdoos uit de supermarché gedaan. Dat zal ook wel gaan, dachten wij. Een flinke plas limonadesiroop op de bodem, om in te verzuipen, en de doos langs de randen dichtgeplakt met plakband. En het leek ook wel aardig te werken want al snel lagen de eerste wespen erin, met plakkerige, natte vleugels, te zwaar om nog te vliegen. Maar verzuipen deden ze niet en na een tijdje zagen we dat er ook geen nieuwe wespen meer in de gebaksdoos kropen. Wel vloog er continu een lange, zoemende rij af en aan. Waarschijnlijk met buiken vol limonadesiroop want het klonk erg tevreden, en het peil daalde gestaag. Toen we de zaak eens wat beter bekeken, zagen we dat de wespen die in de doos waren gekropen, gaatjes in het plakband hadden geknaagd en daar doorheen de limonade aan hun collega’s gaven. Alle andere wespen kwamen daar, aan de buitenkant van de doos, als aan een loket een portie limonade halen, om het snel weer ergens anders heen te brengen. Naar het nest waarschijnlijk. Of de voorraadkamer.
En dat vond ik dus knap van die wespen. Dat die paar die in de limonadesiroop terecht waren gekomen blijkbaar tegen de rest hadden gezegd dat ze beter buiten konden blijven. En dat ze op één of andere manier met elkaar een plan hadden bedacht en afgesproken. En een taakverdeling, en een stappenplan. Dat ze elkaar de tent niet uitvochten om ieder voor zich zoveel mogelijk zelf te pakken te krijgen, zoals je vogeltjes ’s winters ziet doen, op een overvolle voederplank met genoeg voor iedereen. En dat de wespen ín de doos ook niet gingen liggen jeremiëren dat het niet eerlijk was dat zíj nu in de smurrie zaten en helemaal nat en kleverig, en dat nu wel eens een ander aan de beurt was. Waar je je ook iets bij voor zou kunnen stellen. Dat verwacht je toch allemaal niet, van wespen.
Wij hoefden nu alleen maar te zorgen dat er voldoende limonadesiroop in de gebaksdoos zat, dan hadden wij er geen last meer van, en konden ze toch blijven leven. Want laten we eerlijk zijn, zo’n fles met een dikke laag dode en voor hun leven vechtende wespen op de bodem, dat is toch ook een rotgezicht. Het lijkt dan toch net of ze angstig uit hun gemene oogjes kijken.
De volgende dag zagen we trouwens nóg een sterk wespenstaaltje. Nog sterker eigenlijk. Kampeerders naast ons hadden wél een petfles gebruikt, om een wespenval mee te maken, en die zat al aardig vol. Onderop een flinke laag dode wespen, waar geen redding meer voor mogelijk was, maar daar bovenop kropen er ook nog een heleboel paniekerig rond en heen en weer en over elkaar heen. Vliegen konden ze niet meer, daar waren ze te kleverig en te zwaar voor geworden, maar er was ook niet genoeg limonade over om kopje onder in te gaan. Een rotgezicht, zoals ik al zei. Maar ja, het was de fles van de buren, wat doe je eraan? Tot we iets heel bijzonders zagen. Tegen de wand van de fles had zich een torentje van wespen gevormd. Als in een wespencircus waren ze op elkaars schouders gaan staan in een poging de uitgang te bereiken, die ze ergens boven zich wisten. Er stonden er zeker al tien op elkaar en nummer elf zagen we langs de anderen naar boven klimmen. Je denkt misschien dat ik het hier en nu uit mijn duim zit te zuigen, maar het is echt waar gebeurd. Het was een wonderbaarlijk gezicht. En het allerbijzonderste was misschien nog wel dat nummer acht in het torentje geen wesp was, maar een vlieg. Een bromvlieg. Die kunnen elkaar dus verstaan, denk je dan. En met elkaar samenwerken. Toen we dat zagen hebben we het flesje meteen opengemaakt, zodat de wespen eruit konden, de vrijheid tegemoet. En de vlieg ook natuurlijk.
En sindsdien bekijk ik wespen met andere ogen. Met een soort van bewondering, misschien wel. Al zit dat nest onder de pannen me nog steeds niet lekker. Dat dan weer niet.

woensdag 19 november 2014

Schipper, mag ik overvaren?

Ja, waar sláát dat nou op? Het is de schipper aan het woord, van het pontveer Jan Hop te Spijkerboor. Hij heeft net ongelovig mijn wat gênante bekentenis aangehoord, namelijk dat ik niet meer contant geld in mijn portemonnee heb dan de twintig cent waarmee ik vanochtend van huis ben gegaan. De motor van de pont had hij al gestart toen ik aan kwam lopen, maar ik durf niet zonder meer aan boord te stappen.
Wie gaat er nou zonder geld van huis? Vraagt hij zich vervolgens oprecht verontwaardigd af, zijn ogen ten hemel opslaand. Zelf vind ik het ook opeens wel wat onbenullig. Twintig cent, verdorie, wat ben ik ook een knurft. Als het nou nog een euro geweest was. Maar ja, gut.. we leven in de moderne tijd, contant geld wordt nauwelijks nog ergens op prijs gesteld. Klein bedrag, pinnen mag, is het motto van de winkelier zelfs al geworden, en in het openbaar vervoer is het gewoon verplicht inchecken geblazen. Er gaan weken voorbij dat ik het prima red, zonder contant geld. Ik zou er bij wijze van spreken wel een weddenschap op af durven sluiten dat je zonder contant geld de wereld rond kunt reizen, al of niet in tachtig dagen. Zolang je Spijkerboor een beetje mijdt, uiteraard.
Een flink eind voorbij De Rijp was het me pas te binnen geschoten, dat de moderne tijd op een pontje natuurlijk niet zo’n vat heeft. Dat dat uiteindelijk ook de charme is, van pontjes, nietwaar? En dat ik dus, even kijken.. zestig cent te kort ging komen, voor de overtocht. Tegen beter weten in had ik daarna bij Fort Spijkerboor nog geprobeerd aan contanten te komen, maar uiteraard zou een pinapparaat dáár helemaal een anachronisme geweest zijn. De kans om nog met guldens te kunnen betalen was er waarschijnlijk groter geweest. Het voorgenomen bezoek aan het fort komt daarmee trouwens wel te vervallen, wegens gebrek aan contanten.
En nu sta ik dus, aan de oever van een machtige rivier, en heb geen cent om te schipper te betalen. Mag ik overvaren ja of nee? Ik durf er niet op te rekenen. Maar met een barse hoofdbeweging laat de veerman me weten dat hij me heus niet zal laten staan. Zwijgend en er het zijne van denkend zet hij me over. Ik sta schuldbewust aan de reling op de reddende overkant te wachten. Toch is zijn wrevel onderweg, zo kort als de overtocht is, blijkbaar verwaterd, want als ik aan de overkant hardop bedenk dat ik bij het daar gelegen café misschien een euro extra kan pinnen bij een kopje koffie, wuift hij het idee met een breed gebaar uit de lucht. Het komt de volgende keer wel, besluit hij, en wil er niks meer over horen. Opnieuw vervuld van vertrouwen in de uiteindelijke goedheid van de mens vervolg ik mijn weg, langs de Knollendammervaart, richting Oostknollendam en Wormer.




Op de Oudelandsdijk heb ik al snel twee dames in mijn kielzog. Dames met wapperende sjaaltjes, flodderige, ooit felgekleurde jasjes en blommige rokjes over verschoten broeken. Hippiemeisjes van vijftig. Medewandelaars, die ook wel van de pont zullen komen en hoogstwaarschijnlijk dezelfde route lopen. Ik heb niks tegen medewandelaars, herhaal ik nog maar eens. Wandelaars, dat is goed volk. Maar ze moeten niet een hele wandeling in mijn nek lopen hijgen, en ze moeten ook niet een hele dag hinderlijk in mijn blikveld blijven hangen. Nee zeg, het is de avondvierdaagse niet, dáár heb ik geen zin in. Normaalgesproken kost het trouwens weinig moeite weer van elkaar af te komen. Een korte stop volstaat, over het algemeen. Medewandelaars hebben zelf namelijk ook geen zin in medewandelaars en zetten er even flink de pas in, om een voorsprong op te bouwen, zodat daarna iedereen weer de prettige illusie kan hebben dat hij alleen op pad is. Maar deze dames vallen buiten het systeem. Wat ik ook stop, versnel of vertraag onderweg, ik blijf ze de rest van de dag tegenkomen. Het lijkt wel of ze het erom doen, hoewel ze mijn consequent groeten maar nauwelijks, of liever nog helemaal niet beantwoorden. Alsof ík de stalker ben. Als ik bij Wormer rechtsaf sla om de alternatieve route via Zaanse Schans te lopen, heb ik de hoop al opgegeven, en inderdaad slaan de dames daar vijf minuten later óók rechtsaf.




















Lopend door dit gebied heb ik gedurig het idee dat ik zo’n beetje ín het water loop. Dat idee klopt ook wel natuurlijk want het is hier alles droogmakerij en polder wat je ziet. Een uitgestrekte lappendeken van drooggemalen en ingepolderde meren, waarin het water toch nog altijd alomtegenwoordig is. Rechts van mij de Knollendammervaart, waarin het zelfs letterlijk boven mij uittorent: als ik de dijk beklim zie ik dat het water zo goed als tot de kruin staat, de weg waarop ik loop ligt toch zeker twee meter lager. Maar ook links, in het Wormer- en Jisperveld glinstert het zó hoog in de brede sloten dat de weilanden en de weg het hoofd maar net boven water lijken te kunnen houden. Het water mag overwonnen zijn, en ingedamd, het is ons niet vergeten. Het wacht op een kans. Op een moment van onoplettendheid.
Na Oostknollendam loop ik verder langs de Zaan, met aan de overkant het industrieel uitzicht dat zich al vanaf Spijkerboor aan de horizon aandiende. Een wirwar van oudhollandse molens, moderne Europese subsidie windmolens, hoogspanningsmasten, rokende fabrieksschoorstenen, silo’s en grote, lelijke gebouwen en loodsen. Je zou het mistroostig kunnen noemen, zeker op een grijze dag als deze, maar ik vind het wel wat hebben. Het is mooi van lelijkheid, inderdaad, net wat u zegt. En dat aan mijn kant van de Zaan de weg is opgebroken, en gedeeltelijk vervangen door roestige stalen rijplaten, is alleen maar sfeerverhogend, wat mij betreft. Zelfs de onafgebroken stoet vliegtuigen waarmee het groothertogdom Schiphol zijn immer groeiende nabijheid verraadt, past hier in het plaatje.




















Wat het vooral charmant maakt, denk ik, is de 19e eeuw die hier en daar de kop nog opsteekt, tussen het modernere geweld van golfplaat, beton en blinkende kilometers pijpleiding. Een bakstenen torentje met kantelen, dat tevoorschijn piept op kniehoogte van een enorm en grijs complex. Een vriendelijk bruinrood geveltje met wat sober decoratief metselwerk onder het puntdak, te midden van puur functioneel rechttoe rechtaan de hoogte in. Met als onbetwist hoogtepunt: Zeepziederij De Adelaar. Een klassiek fabrieksgebouw, een vierkant fort van rood baksteen met drie verdiepingen, een raster van ramen in iedere muur, laaddeuren rechts van het midden en op de linkerhoek een soort watertoren met een metershoge, gietijzeren adelaar op het zinken puntdak, de vleugels heerszuchtig uitgespreid. Ooit zal dit een enorm gebouw geweest zijn, een imposant toonbeeld van welvaart en rijkdom dat almachtig boven zijn platte omgeving uittorende. Nu staat het er bijna bedremmeld bij, als een oude man, minzaam gedoogd tussen veel jongere silo’s en loodsen en hallen, die allemaal stukken groter zijn, maar plompverloren neergezet met nog niet een honderdste van de liefde en de aandacht waarmee De Adelaar zelf werd gebouwd.




Als de geur van linoleum langzaam plaatsmaakt voor die van cacao, nader ik Zaanse Schans. Een openluchtmuseum. Een stukje Holland dat eigenlijk niet meer bestaat, zoals aan de overkant van het water ook duidelijk te zien is. Een handvol molens op een rij, een dorp van houten huizen, glimmend onderhouden en opgetuigd alsof de tijd heeft stilgestaan sinds de 18e eeuw. Een nepdorp, feitelijk. Ik begrijp dat hier ook gewoon mensen wonen, maar het lijkt me een vreselijk lot want zelfs nu, eind oktober, krioelt het nog van de toeristen. Er rijdt verdorie zelfs een riksha heen en weer. Ik hoor Spaans, Italiaans, Japans, Engels, Hindi, Zweeds, Duits, Frans, Oosteuropees.. alle talen van de regenboog. Mensen sjokken verveeld achter elkaar aan, huisje in huisje uit, van molen naar molen, alsof ze zelf ook niet precies weten waarom ze hier zijn. Alsof ze het zich toch anders hadden voorgesteld misschien, Holland. Een verliefd stelletje laat zich in een vreemde taal fotograferen, door een andere toerist, met een windmill op de achtergrond. Drie meisjes zijn een half uur in de weer om foto’s van elkaar te maken terwijl ze een koket sprongetje maken op één van de smalle bruggetjes. Een kennelijke bewoner met een hond wringt zich er moeizaam langs. Een Nederlander leidt zijn Engelse gasten in Dunglish langs de molens en de houten schuren met de rieten daken op een toon alsof hij ze eigenhandig gebouwd heeft.




















Ik zit het op een bankje allemaal eens te bekijken wanneer iemand mij vraagt of ik alstublieft tien minuten op zijn reclamebord zou willen letten. Het is de jongen van de riksha, zie ik. Hij heeft zijn bord al van het slot maar heeft nu toch nog weer twee klanten, voor een ritje naar het station. En geen zin het bord weer vast te maken. Blijkbaar is hij niet benauwd dat ík er nu met zijn bord vandoor ga. Ach, ik vind het wel best. Ik doe graag iemand een plezier, zeker wanneer het zo weinig moeite kost. Bovendien, zo weet ik tenminste zeker dat ik mijn dames niet ook nog in de trein terug naar huis tegenkom. Terwijl zijn klanten nog op zijn Japans het toeristenwinkeltje induiken, en de tien minuten al snel verdubbelen, maakt de jongen een praatje. Zo kom ik te weten dat de riksha elektrisch wordt aangedreven maar dat je na een dagje heen en weer fietsen evengoed behoorlijk afgemat bent, dat een ritje naar het station zeven euro vijftig kost en een complete rondrit vijftien, dat de jongen dit als vakantie- en weekendbaantje doet, dat hij het leuk werk vindt en dat hij cabaretier wil worden. Ik raad hem aan te beginnen met een programma over toeristen aan de Zaan.
Als de jongen na gedane zaken terugkeert en ik na nóg een praatje aankondig maar eens naar het station te gaan, oppert hij mij met de riksha te brengen. Ik vertel van mijn pijnlijke overtocht bij Spijkerboor, en bedank. Maar de jongen bedoelt een gratis ritje. En ik verlaat Zaanse Schans geheel in stijl. In toeristenstijl, maar ook in stijl van de dag. Want die weddenschap, dat zit wel goed. Met mensen als deze op mijn pad, moet ik die makkelijk kunnen winnen.

Graft – Zaanse Schans, een etappe van het Trekvogelpad, gelopen op zondag 26 oktober 2014



dinsdag 18 november 2014

In besloten kring





















Uit de serie: GeenKunst
Voor een uitgebreidere rondleiding door de wereld als beeldentuin, volg de gids.

donderdag 13 november 2014

Het gaat om de inhoud




















Uit de serie: GeenKunst
Voor een uitgebreidere rondleiding, volg de gids

dinsdag 11 november 2014

Volgende

Dankzij zijn weblog van een huisvader was de man in de loop der jaren trouwens wel regelmatig benaderd door programmamakers en journalisten. Dat dan weer wel. Die waren dan voor een reportage of een interview of een artikel op zoek naar een zorgende man, tikten ‘huisman’ in bij Google en dan kwamen ze al snel bij hem terecht. Hij liep daar namelijk nogal mee te koop, digitaal, dus een kind kon de was doen. En ze hadden een goeie aan hem ook, want hij hield wel van een beetje aandacht. Het waren vaak ook leuke, enthousiaste jonge vrouwen die bij hem aanklopten en bovendien, met het oog op hun verhaal natuurlijk, dat leuk moest worden en al snel af moest, altijd vol lof over hoe bijzonder het allemaal was, zo’n zorgende man met twee kleine kinderen, een parttimepuber en een werkende vrouw. Zo had hij al breeduit lachend in verschillende damesbladen gestaan, al of niet met zijn jongens stoer op de arm of gezellig en zorgzaam op schoot, tussen de eigen schuifdeuren, voor de ingehuurde designkeuken van een ander, of zogenaamd houtsnijdend en casual gestyled in de achtertuin. Eén keer had hij zelfs breeduit lachend zijn jongens van school gehaald met een cameraploeg in zijn kielzog, uiteraard tot grote nieuwsgierigheid van alle schoolpleinmoeders, in wiens warme belangstelling hij zich toch al mocht verheugen. Jaja. Dat was nog eens wat, elke keer. Hij fleurde er meestal weer helemaal van op. Hij kon er meestal wel weer een paar weekjes op vooruit.
Deze week werd hij dan door een landelijke krant gevraagd of hij, als huisman zijnde, wilde meewerken aan een zogenoemde Géén-Carrière-Special. Een eenmalige variant op de wekelijkse Carrière-Special. Het ging om een rubriek waarin hij onder meer zou moeten vertellen over zijn inkomsten en uitgaven, en waarvoor hij gefotografeerd zou worden op een plek in zijn eigen huis. Als bijlage waren twee eerdere voorbeelden van deze rubriek bijgesloten.
De man klikte de bijlage open. In het eerste van de twee voorbeelden stond Jort Kelder strak gekapt en hip geschoren in zijn goeie goed in een ernstig vormgegeven en ongetwijfeld peperdure keuken zijn interessante zelf te zijn. In het andere voorbeeld was Jort Kelder vervangen door een andere glimmend gepoetste geslaagderik.
De man zag al helemaal voor zich hoe dit rubriekje er uit zou zien met hem in de hoofdrol. Een langharige, grijzende man met een buikje en verontschuldigende verhalen over voornamelijk vage, creatieve projekten, te midden van een gestrande verbouwing  en een zeer matig bijgewerkt huishouden, met allang niet eens meer twee kleine kinderen aan zijn broekspijpen om het allemaal mee goed te praten. En als hij zo eens om zich heen keek, zou hij ze eerlijk gezegd geen ongelijk kunnen geven ook. Nee, het leek hem een stuk verstandiger deze beker maar aan zich voorbij te laten gaan.
Merkwaardig gevolg van één en ander was wel dat hij nu al een week op een trappetje stond, met oude kranten op de vloer, om zijn muren opnieuw te schilderen en zijn kasten uit te mesten. De stofnesten en de vetvlekken te lijf te gaan, de ramen te zemen, zijn houten plafond af te nemen. De ontbrekende stopcontacten te monteren en de plinten nu eindelijk eens af te schilderen. En wat voorts ter tafel kwam. Hij snapte zelf niet waarom hij zich zo liet opjutten, maar zijn huis knapte er wel lekker van op. En de volgende keer kon hij dan misschien gewoon weer breeduit lachend in de krant.

maandag 10 november 2014

Een zee van tranen




















Uit de serie: GeenKunst
Voor de volledige beeldentuin, volg de gids.

zaterdag 8 november 2014

Liplezen

In de trein heb ik eigenlijk altijd wel iets om me aan te ergeren. Dat zit bij de prijs inbegrepen, als het ware. Dat begint al bij het inchecken, waarvan ik mij dan bijvoorbeeld al meteen weer afvraag waarom dat zo nodig in het Engels moet, als we hier dan zo dol zijn op onze eigen Hollandse cultuur. Wat is er dan mis met het Nederlandse woord aanmelden? En waarom mag ik, als trouw abonnementhouder, met negen euro op mijn kaart tóch geen ritje van twee euro veertig maken, van de NS? Waarom moet de helft van de trein vaak de hele weg leeg blijven, op een handjevol onderuitgezakte conducteurs na, terwijl de andere helft soms zó vol hangt met uitgaansjongeren of voetbalsupporters dat er niet eens meer een conducteur dóór kan, al zou die dat durven.
Nou goed.
Verder zit er natuurlijk altijd wel iemand met zijn schoenen op de stoel, is er altijd wel iemand die de laatste drie plaatsen nodig heeft voor zijn tas en zijn jas en zijn das, en laat iedereen ook altijd wel overal zijn gratis krantjes slingeren, en zijn halfleeg gedronken blikjes en flesjes staan. De schillen en de dozen.
Om over de ongewenste intimiteit van sommige telefoongesprekken maar niet eens te beginnen. Hoewel dat soms ook voor vermakelijke taferelen kan zorgen. Laatst was schuin tegenover mij in de trein, twee banken verderop aan de andere kant van het gangpad, bijvoorbeeld een meneer komen zitten. Een hele grote meneer. Niet dik, maar groot. Er was héél véél meneer. Omdat het zo druk was in de trein moest hij genoegen nemen met maar één van de vier stoelen, maar eigenlijk had hij de hele vierzitter nodig, met zulke benen, en zulke armen. Met zoveel om het lijf. Nu zat hij zo’n beetje ingeklapt en opgevouwen tussen de andere passagiers, en wat er niet meer bijpaste was half in het gangpad blijven steken.
Toen hij eenmaal zat, begon de meneer te bellen. Dat was verder niet zo bijzonder, de halve coupé zat te bellen, al deed de meneer het wel heel hard. Er kwam ook een heel groot geluid uit de meneer en hij was door de hele coupé zéér verstaanbaar. Maar goed, ook dat komt vaker voor, helaas, en inhoudelijk week het evenmin af van het gangbare ‘ik zit in de trein en ik ben er over tien minuten’ verhaal. Nee, wat het een beetje vreemd maakte, en waardoor ik er ook de hele tijd naar moest blijven kijken, op het gênante af, was dat de meneer zeer nadrukkelijk zijn vrije hand als een enorme schelp voor zijn mond hield.
Eerst begreep ik het niet. Was het omdat de meneer die hand, met die enorme arm er ook nog aan, verder nergens kwijt kon? Een gevolg van zijn gedwongen ongemakkelijke houding? Of wilde hij zijn telefoontje afschermen tegen het geluid uit de coupé? Om zijn verstaanbaarheid voor de andere kant van de lijn te verbeteren? Dat zou overdreven zijn, want de rest van de coupé leek beduusd de adem in te houden en de verstaanbaarheid was uitstekend.
Toen herinnerde ik mij plotseling dat ik deze belhouding wel eens op een krantenfoto had gezien. Politici, schijnen zo te bellen. Nu ik het wist, kon ik het bijna niet geloven. Het was tegen liplezers. De meneer die ieder ander gesprek en de trein zelf overstemde, was bang voor liplezers.
Grappig.
Op de terugweg zat vlak naast me, aan de overkant van het gangpad, ook een meisje te bellen. Diep in elkaar gedoken schermde ook zij haar telefoontje af met haar hand, en haar haar. Maar zíj voerde heel záchtjes een gesprek. Héél zachtjes. Zó zachtjes dat je het eigenlijk niet hoorde. Geruisloos als een ademtocht fluisterde ze haar onhoorbare woorden. Ik verstond er helemaal níks van. Ik kon zelfs niet eens uitmaken of het lieve woordjes waren, die ze lispelde, of dat er iemand de huid vol werd gefluisterd.
En eerlijk gezegd vond ik dát dan weer behoorlijk ergerlijk.


Dit bericht is een herschreven combinatie van twee eerdere stukjes. Afgelopen vrijdag las ik het voor als Column van de week, op de lokale radio.