dinsdag 14 april 2015

Ik stik..




















Uit de serie: Geen Kunst
Voor een uitgebreide rondwandeling door beeldentuin De Wereld, volg de gids

zaterdag 11 april 2015

Even geduld aub

Met gepaste tegenzin stapte ik deze week binnen bij de apotheek. Je komt daar ook niet voor je plezier natuurlijk. Je komt er dingen halen die je eigenlijk liever niet nodig zou hebben, en het kost vaak nog een hoop geld ook. Maar goed, je hebt het niet altijd voor het zeggen.
Nummer 35, was ik. Want bij de apotheek ben je een nummer. De teller boven de balie stond op 30. Er waren vijf wachtenden voor me.
Bij de supermarkt zou direct een extra kassa worden geopend. Waarschijnlijk omdat de supermarkt bang is dat klanten, wanneer ze telkens heel lang in de rij  moeten staan, de volgende keer naar een andere supermarkt gaan. Want dat kan, in het geval van supermarkten. Er zijn er genoeg.
Bij apotheken was dat anders, wist ik. Bij de apotheek ging dan ook nooit een extra kassa open. Er waren vijf balies, met grote cijfers, van één tot vijf, zodat je je niet kon vergissen in het aantal, maar drie van die balies waren er waarschijnlijk alleen voor de sier. Als er bij de apotheek vijf wachtenden voor je waren, kon je er maar beter een stoel bij pakken. Als er nog één vrij was tenminste.
Bij een eerder bezoek had ik eens nummer 97 getrokken, met 90 op de teller. Verspreid over de ruimte zag ik landerige wachtenden, onderuitgezakt op stoelen, doelloos slenterend tussen de schappen en ongemakkelijk leunend op vensterbanken. Er zat duidelijk héél weinig beweging in de gang van zaken. Ik besloot toen dat ik dáár geen zin in had, en vertrok naar de supermarkt, om boodschappen te doen. Met mijn volle tas op weg naar huis, wilde ik het toch nog maar eens proberen, bij de apotheek. Het moest tenslotte toch een keer gebeuren en misschien was het inmiddels wat rustiger. Ik fietste dus weer terug. De teller boven de balie stond inmiddels op 95 en ik kon, met nummer 97 nog in mijn zak, gewoon doorgaan met wachten, alsof er niets gebeurd was. Wat ook bijna zo was, natuurlijk.
Maar goed.

Deze keer had ik nummer 35, hoefde ik geen boodschappen meer te doen en zat er niks anders op dan mijn ziel in zaligheid te bezitten. Er waren vijf wachtenden voor me, en al onze medewerkers waren in gesprek. Met elkaar ook vooral, want dat is het leuke bij de apotheek, het is een grote, open ruimte met heel veel glas, dus dat kun je daar allemaal zien. Of je wilt of niet, terwijl je staat te wachten kun je zien dat achter de vijf balies, waarvan er drie gesloten zijn, zeker acht medewerkers zéér bedrijvig heen en weer dribbelen. Sommigen met papier in hun hand, anderen zonder. Sommigen praten met elkaar, anderen dribbelen naar achter, waar je ze niet meer kunt zien. Sommigen staan gedurig aan de telefoon, lachen daarbij uitbundig en tikken daarna weer verder op de computer.
Niemand van al deze medewerkers lijkt echt te merken dat er mensen staan te wachten. Heel soms loopt er één even naar de balie, om iets te vragen aan de klant die daar staat, maar ook als je aan de beurt bent, moet je nog wachten.
Na geruime tijd mocht ik naar voren komen. Een mevrouw vroeg mijn naam, mijn adres en geboortedatum. Daarna bleef het stil. De mevrouw keek ondoorgrondelijk op haar scherm.
Wanneer had ik mijn receptje ingeleverd, vroeg ze toen, een beetje kortaf. Strenge ogen priemden mijn kant op.
Twee dagen geleden, antwoordde ik naar waarheid, want dat was de bedoeling, dat wist ik heus wel.
Maar nu zag de mevrouw dat het recept pas ‘s middags was doorgemaild. Dus, klonk het onverbiddelijk, kon ik mijn medicijnen ook pas ’s middags af komen halen. Want er stonden twéé héle werkdagen voor de procedure.
Ik keek op de klok.
Het was kwart voor twaalf.
Als ik nu meteen een nummertje trok, was ik vanmiddag nog aan de beurt.

vrijdag 3 april 2015

Van de bitch van Stavoren, Hindeloopen tot Workum




We waren er al eens eerder, in Stavoren. Een aantal jaar geleden. Toen kwamen we uit Enkhuizen gelopen, en namen hier de boot weer terug, om de cirkel van het Zuiderzeepad te sluiten. Vandaag is Stavoren een startpunt. Een soort van nieuw begin. We openen er het noordelijk deel van het Nederlands Kustpad, door Friesland en Groningen. Langs IJsselmeer en Waddenzee gaat het nu richting Duitsland. Het Hollands gedeelte, van Hoek van Holland naar Den Oever, zit erop.
In de haven maken we als eerste kennis met het Vrouwtje van Stavoren. De vorige keer was zij ons ontgaan, maar daar staat ze hoor: gegoten in brons, met de hand boven de ogen uitkijkend over de Zuiderzee. Toen nog. Wij menen dat ze dus wel iets heldhaftigs verricht zal hebben, gelijk Kenau Simonsdochter Hasselaer, die in haar dooie eentje Haarlem voor de Spanjaard behoedde, of zoiets, en vinden de aanduiding ‘vrouwtje’ ook dáárom niet zo passend.  Al is het zeker geen gróót beeld.
Het bijbehorend tekstbord helpt ons echter uit de droom. Niks heldhaftigs aan, aan dit vrouwtje. Een eigenwijs, inhalig en egoïstisch kreng was het. Waarvoor ‘vrouwtje’ nog veel te lief is, als aanduiding. Een hoogmoedige koopmansvrouw is hier vereeuwigd. Wat je nu een ondernemer zou noemen. Een bankier, een grote graaier. Stinkend rijk, de rijkste van de stad, maar nog altijd niet tevreden. De VVD bestond nog niet, maar anders was het Vrouwtje van Stavoren er wethouder voor geweest. Of senator, of iets anders lucratiefs.
Opvallend trouwens ook dat het hier, rond 1800, een vrouw betreft. Die blijkbaar tóen al door het glazen plafond was gebroken en eenmaal aan de top dus precies het gedrag bleek te vertonen dat nu pas, ruim tweehonderd jaar later, vooral mannen wordt kwalijk genomen. Misschien dat de wereld er met vrouwen aan de macht toch niet echt heel anders uit zou zien. Misschien is het wel helemaal niet zo simpel.




Maar goed, het Vrouwtje van Stavoren.
Zij stuurde één van haar schippers eropuit, om het beste en het kostbaarste dat de wereld te bieden had voor haar te halen. Met minder nam ze geen genoegen. Toen de schipper, na vele omzwervingen en ampele overwegingen, terugkeerde met een boot vol graan, was zij zó beledigd dat zij opdracht gaf het hele spul in zee te kiepen. Terwijl de bevolking honger leed, nota bene. De bitch van Stavoren. Om geen Hollandser termen te gebruiken.
Een oud en wijs man - sorry dames, maar zó gaat het verhaal - probeerde haar nog op andere gedachten te brengen door haar te voorspellen dat zij, eenmaal zelf aan de bedelstaf geraakt, zou inzien dat graan toch echt kostbaarder was dan goud. Maar dáár had het Vrouwtje helemáál geen boodschap aan. Als ultiem decadent antwoord gooide zij lachend haar gouden ring in zee, honend dat de kans dat zíj aan de bedelstaf zou geraken even groot was als de kans dat zij haar gouden ring óóit terug zou krijgen. Fuck you, wijze oude man, opzij!
Of statistiek al was uitgevonden weten wij niet, maar objectief gezien had ze een punt, aangezien ze volgens de verhalen eigenaar was van zo’n beetje alles wat kon varen, woonde in een huis met gouden vloeren en zilveren muren en het al met al dus zo’n beetje voor het zeggen had, in Stavoren en omstreken. Dat kin wat lijen, zou je zeggen.
Toch liep het verkeerd af, want Calvijn was natuurlijk al wel al lang en breed uitgevonden.
Slechts een paar dagen later kocht de keukenmeid van het Vrouwtje een schelvis op de markt, voor het diner - een krepserig armeluismaaltje ook nog - en ja hoor, verdomd als het niet waar is, in de maag van dat beest werd haar gouden ring teruggevonden. De kansen van het vrouwtje keerden onmiddellijk. Al haar schepen vergingen op zee, op de plek waar het graan overboord werd gekiept ontstond een zandbank en de haven van Stavoren slibde dicht. Het vrouwtje ging failliet en raakte aan de bedelstaf, precies zoals de wijze oude man had voorspeld.
We moeten, begrijpen wij nu, het beeld eerder zien als een waarschuwing. Een wijze les. Hoed u voor bankiers en ondernemers. Zij hebben slechts zelden het beste met u voor. Waarvan akte.






Nee, dan het Vrouwtje van Stavoren dat we verderop op de grasdijk tegenkomen. Een struis type is het, met grijze haren in de wind, stevige schoenen en een camelkleurige bodywarmer met heel veel zakken en vakken. Ook zij kijkt uit over wat eens de Zuiderzee was. Niet met haar hand boven haar ogen maar door een al even struise verrekijker. Wind en waterdicht in legergroen rubber verpakt, rotsvast verankerd op een statief.
Of er nog wat leuks te zien is, vragen wij, en gaandeweg wil de vrouw ons wel vertellen wat zij aan het doen is: ganzen tellen. Als vrijwilliger voor de Sovon, een officiële vogelinstantie.
Kijk, zo kan het dus ook, Vrouwtje van Stavoren, denken wij. Vrijwillig ganzen tellen, in plaats van met een ontevreden smoel op je florijnen zitten.
Maar het roept ook de nodige vragen op. Lopend over de dijk hebben wij vanochtend bijvoorbeeld al zóveel ganzen gezien dat het toch onbegonnen werk lijkt dat allemaal te tellen? En bovendien, vragen wij ons af, hoe weet je nou welke je al gehad hebt? Ze vliegen immers met wolken tegelijk van links naar rechts of weer terug over de dijk?
Als rechtgeaarde Friezin staat de vrouw daar met een geamuseerde glimlach nuchter tegenover. Ze telt een bepaald gebied op één dag. En dat daar doublures in zitten, ja.. nou.. dat wordt vast wel meegenomen in de rekenmethode. Dus..
En volgens haar gaat het de laatste tijd de goede kant op met de ganzenstand. Of dat meer of juist minder ganzen betekent, zijn wij benieuwd, omdat ze nou niet altijd even geliefd zijn, menen wij te weten. Maar dat ligt volgens de ganzentelster dan maar weer net aan met wie je praat. En over welke ganzen. Of je het over overwinteraars hebt,  of over overzomeraars. Boeren hebben alleen een hekel aan die laatsten. Want díe vreten de boel op. En ja, dan schijnt er inderdaad het plan te zijn om stelletjes waarvan vermoed wordt dat ze zich voort willen planten, af te schieten. En de tellingen van de Sovon zullen ongetwijfeld gebruikt worden in het meten van het resultaat van allerlei maatregelen. Maar ja.. daar weet zij verder niks van. Zij telt alleen.





Onderweg naar Hindeloopen komen we langs een wit gebouw dat enige historie verraadt. We vermoeden iets notabels. Later op internet lijkt het om het waterschapsgebouw Schuilenburg te gaan, nu in gebruik als conferentie-oord. Verderop nog zo’n ontmoeting, met een iets dichterbij verleden. Het strandpaviljoen Hindeloopen, dat onder de geknakte kerktoren van het stadje vrijwel bewusteloos tegen de dijk ligt te verloederen. Het Kurhaus van Friesland, schijnt dit te zijn geweest, in de hoogtijdagen. Als Hagenees ga ik daar verder niet op in, maar zonde is het wel natuurlijk. Er schijnen plannen te zijn het gebouw in ere te herstellen. Het zou het waard zijn, denken wij, maar ja.. wie zal dat betalen? Een ondernemer, hoogstwaarschijnlijk. En wij denken nog even aan  Scheveningen.
Hindeloopen zelf is een schattig historisch dorpje, met kleine huisjes en straatjes, steegjes en glopjes. Overtuintjes en zwartgeteerde schuren. Zwijgzaam vissende mannen met praktische schorten voor. Een houten kippenbruggetje over het water, waar in barre dus betere tijden de Elfstedentocht nog wel eens onderdoor kwam.





Verder gaat het, naar Workum, nog altijd over de kruin van de dijk. We passeren een derde wit, historisch gebouwtje. Een voormalige vuurtoren deze keer. Een enigszins afgebladderd geheel met een opengeknipte gashaard als lichtbaken op het dak. Het is, zie ik, precies de rode kachel die ik honderd jaar geleden in mijn Haagse jongenskamer had staan. Maar dan niet opengeknipt natuurlijk. Wanneer hij warm werd, kleurde hij vanuit het midden langzaam paars. Het waren de jaren zeventig. Op de vuurtoren is het geen origineel detail uiteraard, ondanks de poging origineel te zijn. Het baken is er in 2004 neergezet, als verrassing voor de deelnemers van de jaarlijkse strontrace. Nog zo’n staaltje onvervalste Fryske cultuur. Of W.A. van Buuren eraan meedeed, vermeldt de geschiedenis niet.
We mogen niet over het erf van de vuurtoren en moeten onderlangs de dijk verder, waardoor we goed zicht hebben op het metersbrede spandoek aan de omheining van het perceel, dat roept dat men hier geen windmolens in het IJsselmeer wil. Tja. Wij begrijpen dat. Wij willen ook geen windmolens in het IJsselmeer. Niemand wil windmolens in het IJsselmeer. Niemand wil windmolens in zijn achtertuin. Iedereen wil stroom, en hoe groener hoe beter, maar niemand wil windmolens in zijn blikveld. Of hoogspanningsmasten. Of trafostations. Gelukkig hoeven wij dat niet allemaal op te lossen.
Workum, besluiten we wanneer we het binnenlopen, bewaren we voor de volgende keer. Dat het de moeite waard is, zien we wel, maar we hebben trek in bier. Het Jopie Huisman Museum, leren we aan de leestafel alvast, is met vijftigduizend bezoekers het drukstbezochte museum van Workum.





Nederlands Kustpad deel 3, eerste etappe, van Stavoren tot Workum, gelopen op zaterdag 14 februari 2015

woensdag 1 april 2015

Led Zeppelin




















Uit de serie: Geen Kunst
Voor een uitgebreidere rondleiding door beeldentuin De Wereld, volg de gids

maandag 30 maart 2015

Communication breakdown




















Uit de serie: Geen Kunst
Voor een uitgebreide rondleiding door beeldentuin De Wereld, volg de gids

vrijdag 20 maart 2015

In fytsmakkerij yn Workum

Elders langs onze wandeltochten hadden we het al eens eerder gezien: een te goeder trouw aangeboden fietspomp. Zomaar aan de kant van de weg, bij een huis. Voor wie een zachte band had. En wie ‘m op zijn grotestads meenam, was een hork. Uiteraard. Want die heb je ook.
Hier in Workum stond hij bij een fietsenmaker op de stoep. Waar je hem ook eigenlijk zou verwachten. Maar dan niet gratis, misschien.




















By in fytsmakkerij yn Workum 
stiet in boadskip dy hiel dúdlik doar kum: 
De pomp is foar ieders gerief 
 mar wa him stelt is in dief! 
Al sil dat yn Workum net foar kum..

vrijdag 13 maart 2015

Een pizzeria te Hindeloopen










Wandelend langs het Nederlands Kustpad kwamen wij ook door Hindeloopen. Een klein, Fries en pittoresk plaatsje aan de Zuiderzee. Dankzij haar haven heeft het altijd in contact gestaan met de rest van wereld. En stonden de sluizen open voor andere culturen dan de onze. Vreemde smaken en gebruiken uit verre en exotische oorden.  Anders kunnen wij het niet verklaren, het reclameschild op dit pizza-bezorg-autootje.




















Een pizzeria te Hindeloopen
was op de avond des Heeren tot héél laat nog open.
Na panna cotta en ijs
werd, voor een billijke prijs,
de kat in het donker geknopen.

woensdag 11 maart 2015

Hij stond er helemaal alleen voor




















Uit de serie: Geen Kunst
Voor een uitgebreide rondleiding door Beeldentuin De Wereld, volgt u de gids

zaterdag 7 maart 2015

De ganzentelster van Stavoren



We wandelen wat af. Heerlijk. Hoofd leeg, één met het landschap en je ziet nog eens wat. Je leert je land nog eens kennen. Een deel van de lol is het later thuis weer opzoeken van antwoorden op onderweg opgeroepen vragen. En het fotograferen onderweg, al of niet in een thema. Het achteraf schrijven van een wandelverslag.
Wandelend langs een vers gedeelte van het Nederlands Kustpad, aan de Friese kant van het IJsselmeer, raakten wij zo maar in de ban van een nieuw idee. Bij iedere plaats waar wij doorheen wandelden, langs deze route, zouden wij een limerick schrijven. Naar aanleiding van iets dat we er meemaakten. Een ontmoeting, een observatie, een uitzicht en wat al niet meer. Je máákt tenslotte wat mee onderweg, als je ogen en oren openhoudt.
Iets boven Stavoren, op de dijk langs het IJsselmeer, ontmoetten wij bijvoorbeeld een struise vrouw met een verrekijker. Het was geen gewone verrekijker zoals we zelf ook in de rugzak hebben, nee, we konden hier gerust spreken van een professionele verrekijker. Een enorm, wind- en waterdicht, legergroen gevaarte op een robuust statief. Struis als de vrouw zelf, was de verrekijker.
Op onze vraag of er nog iets leuks te zien was, legde zij ons steeds toeschietelijker uit wat zij aan het doen was. Ganzen tellen namelijk. Namens de Sovon, een officiële vogel-instantie. Brandganzen, kolganzen.. Ganzen. Overwinteraars en overzomeraars. Om de ganzenstand in de peiling te houden. En het resultaat van maatregelen te meten, uiteraard.
Wij hadden deze dag al zóveel ganzen heen en weer over de dijk zien vliegen dat het ons een onmogelijke opgave leek. Want hoe wist je welke ganzen je al geteld had? En of ze niet achter je rug opvlogen, om elders weer neer te strijken? Hoe kon je de tel niet kwijt raken, met zoveel ganzen? Wij moesten er niet aan denken.
De mevrouw zag dat toch allemaal wat nuchterder in. Daar waren richtlijnen voor. Ze telde gewoon een bepaald gebied in één dag. En dan kwam het wel goed. Dan had men toch een vrij aardig idee.
Bij elke groep ganzen die wij de rest van de wandeling tegen kwamen, hebben wij aan deze ganzentelster gedacht. En vroegen wij ons af of ze al geteld waren.

Een ganzentelster bij Stavoren
was een vlucht uit het oog verloren.
Zij ging eerst uit haar dak,
maar zei toen: ‘k Ben nie gak!
’t Was een honderdtal, zo te horen.




vrijdag 6 maart 2015

Calling occupants of interplanetary craft




















Uit de serie: Geen Kunst
Voor een uitgebreide rondwandeling door Beeldentuin De Wereld volgt u de gids

maandag 2 maart 2015

Jongens van Jan de Witt

Het was na een bezoek aan de mondhygiëniste. Ik was blij dat het er weer even op zat, dat ik weer naar huis mocht.. ik had een zonnig humeur. Ook het weer was zonnig en zelfs de trein reed op tijd. Daar stopte hij al bij het perron, met de deuren vlak voor mijn neus. Ik drukte ze open en deed een stapje naar achter, om ruimte te maken voor uitstappende passagiers. Eén van de vele grote ergernissen van het treinreizen is het gemene volk dat zich op het perron voor de deur staat te verdringen om de trein in te stappen en de uitstappende medemens daar het liefst bij onder de voet zou lopen.
Ik hoor daar niet bij. Bij dat gemene volk.
Ik doe stapjes naar achter. Ik houd deuren open, voor dames en heren. Ik bied mijn hulp aan aan met kaartjesautomaten stuntelende ouderen.
Ik zwijg in stiltecoupés.
Ik laat mijn voeten op de grond en neem mijn krant weer mee naar huis. Ik laat voorgaan bij het uitchecken. Ik sta op voor zwangere vrouwen. Ik eet niet in de trein. Ik spreek met twee woorden.
Ik zeg U tegen vreemden.
En nu liet ik me blijkbaar ook al opzij duwen door een jongeman die geen zin had om achter al mijn beleefdheid te gaan staan wachten en ook niet om helemaal om mij heen te lopen en zich dus hardhandig tussen mij en de trein door botste, het treetje op het halletje in. Ik schrok er van.
Tjongejonge, dacht ik.
Nounou, hoorde ik een mevrouw achter mij zeggen.
Tja, zó kan het natuurlijk ook, hoorde ik mezelf toen zeggen, bij het instappen. Het ontsnapte me een beetje.
De jongeman had het ook gehoord en stond meteen in de gevechtshouding.
Of ik soms wat had?
Ik keek in de drank- en drugsdoorlopen ogen van een ongezonde Hollandse jongen. Een lijkbleek en pafferig, zwáár verongelijkt tronie. Had je wat? Een jongen van Jan de Witt nieuwe stijl.
Of ik soms wat had? Met m’n kankerkop. Galmde het door de trein.
Mijn medepassagiers, die dit natuurlijk hoorden, en die het zagen gebeuren terwijl ze zelf instapten, hielden hun pas in. Sommigen draaiden zich om, naar de jongeman. Pas op, wij zijn er ook, leken ze te willen zeggen. Wij zijn in de meerderheid, als beschaafde mensen, en wij accepteren dit gedrag niet.
Je moet je kankerkop houden! Klonk het nogmaals.
De jongeman dacht niet dat hij iets te duchten had van de brave burgerij. De hufters hebben het voor het zeggen tenslotte. Hij hoefde maar te schreeuwen en te dreigen en hij kreeg ruim baan. Zo was het altijd gegaan.
Maar deze groep passagiers had het blijkbaar opeens helemaal gehad, met de hufterij. De jongeman werd stevig beetgepakt door een aantal mensen en met vereende krachten weer terug op het perron  geduwd.
Figuren als jij hoeven we niet in onze trein, riepen ze hem toe. Je gaat maar lopen. En verbouwereerd bleef de jongeman achter op het perron.
Maar zo ging het niet uiteraard.
Mijn medepassagiers, die dit natuurlijk hoorden, en die het zagen gebeuren terwijl ze zelf instapten, maakten zich zwijgend en zo onopvallend mogelijk uit de voeten. Als water gleden  ze om mij en de jongeman heen, veilig hun coupé in. Wij zijn hier niet, leken ze te denken. Wij hebben hier niks mee te maken, wij bemoeien ons er niet mee.
Je moet je kankerkop houden! Klonk het nogmaals.
De jongeman wist zeker dat hij niets te vrezen had van deze grijzende man. Een softe hippie was het, dat zag hij zo. Hij hoefde maar te dreigen en te intimideren en hij droop af. Zo ging het altijd.
Maar ik had het opeens helemaal gehad met die opgefokte, doorgesnoven lomperikken.
Ik hoefde maar één keer uit te halen.
De jongeman had nergens op gerekend. Zonder een kik te geven smakte hij tegen de wand van het halletje en zakte als een dweil in elkaar. Ik pakte hem bij kop en kont en gooide hem terug op het perron.
Je moet je een beetje fatsoenlijk gedragen! Zo moeilijk is dat niet! Riep ik hem door de sluitende deuren nog toe. Volkomen verbouwereerd bleef de jongeman achter op het perron.
Maar nee, zo ging het natuurlijk ook niet.

vrijdag 27 februari 2015

Wacht op mij!




















Uit de serie: Geen Kunst
Voor een uitgebreide rondleiding door beeldentuin De Wereld, volg de gids

woensdag 25 februari 2015

Zo de wind waait, waait zijn jasje




















Uit de serie: Geen Kunst
Voor een uitgebreide rondwandeling door beeldentuin De Wereld, volg de gids

vrijdag 20 februari 2015

Only two pillars of wisdom left




















Uit de serie: Geen Kunst
Voor een uitgebreide rondwandeling door beeldentuin De Wereld, volg de gids

woensdag 18 februari 2015

Een rondje om de kerk



We maken ons op voor de laatste Noordhollandse etappe van het kustpad, vanochtend. Dertien, veertien maanden geleden startten we in Hoek van Holland, de rand van het land, en nu rest ons nog een staartje Wieringen. Tja. En omdat Wieringen ons goed beviel, de vorige keer, en ons bovendien nou ook weer niet zo’n heel gróót staartje rest, zullen we de dag volmaken, en vervolmaken, met nog een extra rondje over het vergeten waddeneiland. Zo staat het in het boekje, en zo is het plan. We hebben ons fantastisch wandelweer in het vooruitzicht laten stellen, op internet, dus dat komt misschien ook nog wel goed, in de loop van de wandeling.
We beginnen in Hippolytushoef. Vroeger ook wel Klein Parijs genoemd, vanwege de ooit enorme hoeveelheden café’s rond het dorpsplein. Lezen wij ook maar ergens op het web hoor. Maar wat een flauwekul is dat toch altijd, dat gekoketteer met buitenlandse namen. Nederland is een prachtig land, ontdekken wij al wandelend telkens opnieuw, en zonder in nationalistische toestanden te vervallen kunnen we dat heel best op haar eigen merites waarderen. Niemand heeft het ooit over het Giethoorn van het zuiden, en denk maar niet dat Parijs in Frankrijk, of waar dan ook, ooit Groot Hippolytushoef is genoemd.
Maar goed.
Hippolytushoef dus. Of Hippo, zoals het hier heet. We doen een rondje om de kerk, de Hippolytuskerk. Niet bepaald de Nôtre Dame. Integendeel eerder. De gemetselde spits geeft de kerk een bepaalde eenvoud. Een typisch Hollands doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg. Een soort zelfverzekerde bescheidenheid ook. Ze heeft het nodige meegemaakt, de kerk, zoals dat gaat, en het is haar aan te zien. Maar het is allemaal lang genoeg geleden om het nu charmant te kunnen vinden.
De basis van de toren stamt uit de twaalfde eeuw, leve Wikipedia. Negenhonderd jaar oud, dames en heren. In de vijftiende eeuw is de toren verhoogd en in de zeventiende eeuw is het verwoeste schip herbouwd. Van de daarbij behorende ramen zijn er vandaag nog maar een paar over.
Ondanks de bescheidenheid torent ze toch ook wel behoorlijk boven haar pleintje uit. Mede dankzij de terp natuurlijk, waarop ze destijds ook wel niet voor niets zal zijn gebouwd. De zee is nog steeds niet ver weg, maar was in die dagen helemaal alomtegenwoordig. En almachtig. Sterker nog, nader onderzoek leert ons dat juist in diezelfde twaalfde eeuw een aantal woeste stormen korte metten maakte met de kust zoals die er toen uitzag, een gat sloeg bij het Marsdiep, waardoor de zee vrij spel kreeg en Wieringen een eiland werd. Wat het eerder dus niet was. Zo leer je nog eens wat. En kijk je toch ook weer een beetje anders tegen zo´n kerktoren aan. Die heeft dat niet alleen meegemaakt, die heeft dat aan zien komen.
Rondom de kerk ligt, in het hart van het stadje, het kerkhof. Een uitgebreide verzameling scheefgezakte, met vele kleuren mos begroeide en veelal moeilijk leesbare zerken, waartussen de boomwortels al jarenlang hun gang zijn gegaan. Hier en daar staat nog een grafhek ook, maar het ziet er niet naar uit dat de doden die hier liggen nog regelmatig bezocht of beweend worden.
Verderop in de ochtend, even buiten Stroe, komen we langs nog een kerkhof. Een wit hek wrijft ons hier lelijk in dat we stof zijn, en tot stof zullen wederkeren. Als we het kerkhof betreden, vliegt er achter ons met veel kabaal een grote groep ganzen op. De begraafplaats zelf ligt er vriendelijk bij, in een voorzichtig zonnetje, in alle rust tussen de weilanden. Ook nu weer op een terp. Om de doden voor de zee te behoeden, nemen we aan. Bij veel van de graven zou het de tweede keer zijn dat de zee toesloeg. Vissersmannen liggen er. Jonge kerels vaak nog. En het zijn niet alleen oude en vergeten graven hier, ook glanzend nieuwe stenen. In het Westfries laat iemand in vers uitgehakte letters weten het maar niks te vinden, om hier zo te liggen. Zelfs in zijn kist nog de leukste thuis, denken wij. Verderop liggen twee broers naast elkaar. Ze zijn beiden al jaren dood. Jong, maar niet tegelijk gestorven. Het zouden vandaag onze leeftijdgenoten geweest zijn. Het lelijke hek heeft wel een beetje gelijk, misschien.
Oosterland, met ook een gemetselde spits op de toren, passeren we op enige afstand, langs de Waddenzee. De asfaltdijk waarover we lopen, doet enigszins denken aan de Hondsbossche Zeewering, die inmiddels bijna geheel onder het zand is verdwenen, als gevolg van de nieuwste inzichten over de strijd tegen de zee.  Bij Vatrop staat nog een restant van de betonnen zeewering waar men het hier in het verleden van moest hebben. Een muurtje van nauwelijks een meter hoog, overeind gehouden door weinig indrukwekkende staanders. Lucifershoutjes van beton. Als de zee eraan terugdenkt, lacht zij zich rot. Als wij het ons proberen voor te stellen, huiveren we met terugwerkende kracht.
In de heiige verte zien we Den Helder liggen, en Texel, verderop. Daar tussenin zien we zelfs de veerboot varen. We zien ook een onheilspellende lucht aan komen drijven. Als we de haven van Den Oever binnenlopen, om een visje te eten, is de lucht al behoorlijk betrokken. Vol vertrouwen echter beginnen wij aan ons extra rondje. Zodra we de dijk oplopen, en buiten bereik van schuilplekken zijn, begint het gestaag te regenen. Het zal niet meer ophouden en ons extra rondje laten we er dan toch maar bij inschieten. Het is flauw om al teveel over het weer te praten, bij dit soort verhalen, ieder weer is wandelweer tenslotte, maar als we eenmaal weer thuis, op een half uurtje rijden, te horen krijgen dat het de hele dag zulk heerlijk, zonnig weer is geweest, vragen wij ons toch wel een klein beetje af waar dát nou voor nodig was.





Een etappe van het Hollands Kustpad, van Hippolytushoef naar Den Oever, gelopen op vrijdag 16 januari 2015.

zaterdag 14 februari 2015

ERROR

In een vlaag van daadkracht had ik van de week besloten meteen even een nieuwe tonercartridge te kopen, voor mijn printer, nu ik toch even de stad in liep, voor brood, en een frisse neus. Al wekenlang geeft mijn printer bij elke afdruk aan dat hij eigenlijk leeg is. Nou print ik niet zoveel, en tot nog toe red ik het steeds door de cartridge eerst even flink door elkaar te schudden, maar nu werden mijn printjes langzaamaan toch wel zó lichtgrijs en onleesbaar, dat het er maar eens van moest komen.
Goed beslagen, met het typenummer van printer én cartridge op een briefje, kwam ik ten ijs. Dacht ik tenminste. De meneer van de computerwinkel had daar zo zijn eigen ideeën over.
Die cartridge móet u helemaal niet kopen, antwoordde hij namelijk tamelijk onwelwillend op mijn goedgemutst geplaatste bestelling. Want dat is een wáárdeloze printer, die u zich daar aan heeft laten smeren.
Nou was ik eigenlijk best tevreden met mijn eenvoudige zwart-wit printertje, en dat wilde ik dan ook zeggen, maar de meneer van de computerwinkel duldde géén tegenspraak. Daarvoor had hij er veel te veel verstand van en hij zou mij wel eens even iets vertellen over printers. Die tonercartridges waren schreeuwend duur. Voor dat geld kon ik dus beter een nieuwe printer kopen. De meneer keek erbij alsof het hem verder geen klap kon schelen allemaal, en zo klonk hij ook, maar hij had hier toevallig een mooi printertje staan, en kijk.. dat was dus wél een uitstekend merk. Was bovendien een inkjetprinter dus dan kon ik ook foto’s afdrukken, wat met mijn waardeloze laserprinter natuurlijk sowieso al onmogelijk was.
Ik bracht nu toch maar voorzichtig naar voren dat ik niet van plan was een nieuwe printer aan te schaffen, en al helemaal geen inkjetprinter, omdat ik eigenlijk alleen maar af en toe een stukje tekst printte, en dat ik mijn foto’s altijd bij het warenhuis liet afdrukken.
Maar dat mócht helemaal niet, van de meneer van de computerwinkel, want dat was van een wáárdeloze kwaliteit allemaal. En ook nog eens schreeuwend duur. Het kon hem allemaal nog steeds geen fluit interesseren natuurlijk, hij stopte zijn handen nog maar eens wat dieper in zijn zakken en zette een nóg meewariger gezicht op, maar kijk.. déze printer drukte dus met één vulling vierhonderd foto’s af. Dus dan kon ik zélf wel uitrekenen hoe duur ik uit was bij de drogist, nietwaar.
Het leek me nutteloos de meneer er op te wijzen dat die inkjetpatronen nou ook niet bepaald gratis werden uitgedeeld, in de computerwinkel. En dat dat piepkleine beetje inkt dat daar dan in zat meestal binnen een week was ingedroogd, met medeneming van de spuitkoppen. En dat ze je in de computerwinkel dan meesmuilend vertelden dat je daar dus best nieuwe spuitkoppen in kon laten zetten maar dat het natuurlijk toch een verouderd model was, en dat alleen het opsturen al een vermogen kostte, en dat je dan dus beter een nieuwe printer kon kopen.
Ik kreeg de kans ook niet de meneer daar op te wijzen, want die praatte gewoon door, alsof ik er niet eens meer stond, wat jammer genoeg wél het geval was.
Deze printer gebruikte namelijk zúlke hoogwaardige inkt, werkte de meneer nu duidelijk naar een hoogtepunt toe, dat je je foto dus gewóón onder de kraan kon houden, en dat er dan nóg niks gebeurde. En verdomd, de meneer voegde de daad bij het woord. Hij pakte ergens een grote glimmende foto vandaan en hield die onder de kraan. Met een triomfantelijke blik, ook nog. Dáár had ik niet van terug, zag ik hem denken. Met mijn waardeloze laserprinter.
Zonder tonercartridge verliet ik de computerwinkel. Die heb ik nu maar op internet besteld.

Dit eerder op Het Bewijs gepubliceerde stukje las ik deze week, in licht herschreven vorm, voor als column van de week op de lokale radio.

woensdag 4 februari 2015

Me and my big mouth




















Uit de serie: GeenKunst
Voor een rondleiding door beeldentuin De Wereld, volg de gids

donderdag 29 januari 2015

Even van mij




Speciaal voor de gelegenheid haal ik vandaag nog maar eens een versje uit de Poëzinema doos. Prettige gedichtendag allemaal!

maandag 26 januari 2015

Alien waiting for the mothership home




















Uit de serie: GeenKunst
Voor een uitgebreide rondwandeling door beeldentuin De Wereld, volg de gids

zaterdag 24 januari 2015

Verhalen met gouden randjes



Voor de zekerheid stelt hij zich eerst maar eens even netjes voor, want het kan natuurlijk best zo zijn dat er mensen in de zaal zitten die nog nooit van hem gehoord hebben: Leon Giesen, dames en heren. Schepper en bewoner van zijn eigen wereld, Mondo Leone, waar hij ons vervolgens, goedgemutst uitweidend, liedjes zingend en lekker gitaar spelend mee naar toe neemt op een wonderlijke reis.
Een verwonderlijke reis, eigenlijk, want dat is waar het allemaal om draait, volgens de reisleider. In elk geval is dat het vertrekpunt van wat we vanavond te zien en te horen krijgen: verwondering.
Leon Giesen ziet iets, er valt hem iets op, en daar wil hij dan meer van weten. Dan gaat hij nieuwsgierig op zoek naar het verhaal erachter. En vasthoudend ook want het eerste verhaal dat hem ontglipt, moet hij nog tegenkomen. Zegt hij zelf. Een aantal van die verhalen komt vanavond aan bod. Eerst een paar kortere, als opmaat voor het echte werk. Als kennismaking. Zodat we maar vast weten wat ons ongeveer te wachten staat.
Leon Giesen is documentaire-filmmaker.  En zijn bijzondere belangstelling gaat uit naar mensen die, zonder dat íemand ze er om vraagt, zonder eigen belang, dingen zonder aantoonbaar nut aan de wereld toevoegen, dingen waar de wereld ook niet per se op zit te wachten maar waar de wereld wel móóier van wordt. Dingen die gemist zouden worden wanneer ze er plotseling níet meer zouden zijn. Hij heeft daar zelfs een zelfverzonnen prijs voor in het leven geroepen, vertelt hij. Het Gouden Randje. Ooit won Giesen zelf een prijs, met één van zijn films, een gouden beeldje was dat, en dat liet hij er speciaal voor in plakjes zagen. Gouden Randjes. Die hij hoogstpersoonlijk uitreikt aan dát soort ongevraagde initiatieven, om te laten zien hoe bijzonder ze zijn. Een ode aan de verschilligheid. Want onverschilligheid is er al meer dan genoeg. Het levert mooie verhalen op bovendien.
Over de Utrechtse Kabouter, bijvoorbeeld. Een in Utrecht blijkbaar mythische graffiti-stripheld die overal opduikt in de stad, in zijn eentje of met tientallen tegelijk, op kale betonnen muren en in ongezellige fietstunneltjes, in allerlei vermommingen en poses, en waarvan niemand weet wie de schepper is. Maar waarvan Leon Giesen er wel eentje op de blinde muur van zijn achtertuintje wil. Smakelijk en niet zonder zelfspot doet hij verslag, met lichtbeelden en al, van zijn zoektocht. Die nog even spannend wordt ook, wanneer hij zijn huissleutel ergens achterlaat, op een afgesproken plek, voor de onbekende kunstenaar, met instructies en twee kratten bier, en zelf voor drie weken op vakantie gaat. Ongelovig gnuift de zaal. Wie dóet dat nou? wordt er bijna hoorbaar gedacht. Leon Giesen dus. Zo gaat dat, in Mondo Leone.
Of neem het romantisch verhaal van de treinliefhebber in Amerika, Deane Ellsworth, die bij toeval ontdekte dat er één locomotief rondreed, in dat immense land, waarvan de meertonige fluit, door een productiefout, een afwijkend akkoord blies. En dat dat het zogenaamde Gershwin-akkoord was, veel mooier nog dan het bedoelde A7 akkoord. Zodat nu, lang verhaal kort, álle locomotieven in Amerika het Gershwin akkoord blazen. Nou ja, bíjna alle. Het onbezoldigd werk van één man. Omdat dat móóier is. Alleen daarom.
Leon Giesen maakte er een filmpje over dat hij vanavond laat zien en waarbij hij de commentaarstem live inspreekt. Af en toe moet het filmpje even op stop, omdat er opeens veel meer te vertellen valt dan er in past. Of omdat hij even de verschillende akkoorden wil laten horen, op zijn gitaar. Waarmee hij de rest van het filmpje live van muziek voorziet, want Leon Giesen is ook muzikant.
In het langste verhaal van de avond treffen we de verteller zelf in de hoofdrol. Als schatgraver tegen wil en dank. Het begint allemaal met een artikel in de Volkskrant over een stuk bladmuziek met geheimzinnige aanwijzingen, die de plek zouden wijzen waar een grote hoeveelheid goud en diamanten begraven zou zijn. Nazigoud. De diamanten van Hitler. Een deskundige had zich zeven jaren over dit mysterie gebogen, maar was er niet uitgekomen. Dat was een man naar Giesens hart uiteraard, zeven jaar! Dus hij knipt het artikel uit. Zijn belangstelling is gewekt. Door een piepklein toeval - een snapshot, zonder erbij na te denken genomen - komt hij vervolgens op het idee de aanwijzingen in de bladmuziek  vanuit een andere invalshoek te benaderen. En denkt hij na enig nader onderzoek te weten wáár hij moet zoeken. En dan móet hij ook zoeken, van zichzelf. Het gaat hem dus niet om het goud, benadrukt hij maar even, want dat is besmet, dat wíl hij niet eens hebben. Het gaat hem om de theorie. En die klopt tot het tegendeel bewezen is, nietwaar. Dus moet er uiteindelijk gegraven worden. Want zo werkt dat nou eenmaal bij hem.
Geïllustreerd met filmpjes, foto’s, oude kaarten en archiefbeelden en gelardeerd met gezongen zijsporen komt het verhaal eruit. Een steeds ingewikkelder en veelomvattender wordend verhaal. Een spannend en bizar verhaal. Een komisch verhaal. Een wonderlijk verhaal. Vol vuur weet Leon Giesen ons ervan te overtuigen dat zijn theorie klopt. Al kan híj daar natuurlijk ook niks aan doen, lijkt hij er af en toe met een halfverlegen lach bij te willen zeggen.
Hij is een goed verteller, de zaal hangt aan zijn lippen en zelf gaat hij ook steeds meer op in zijn betoog. Het is leuk om, terwijl er een filmpje draait, ook even naar hem te kijken, hoe hij ondanks zichzelf zit te gniffelen en te glunderen, achter zijn rode gitaar.
Het is een bijzondere avond die we meemaken. Het is inspirerend om te weten dat er iemand als Leon Giesen is. Iemand die zo vol overgave zijn ingevingen volgt, zonder zich om de heersende opvattingen over nut of noodzaak te bekommeren. Iemand die, zonder dat iemand hem er om vraagt, de mooie kanten van de wereld voor ons optekent, al zijn ze nog zo klein. Omdat ze anders misschien onopgemerkt blijven. Kopje onder gaan in onverschilligheid. Eigenlijk verdient Leon Giesen zijn eigen Gouden Randje.

Doe jezelf een plezier en kijk eens rond op de site van Mondo Leone. Daar staat trouwens ook een speellijst.