donderdag 11 februari 2016

Op eigen kracht



















Hé man! Ik heb kaartjes voor Devon Allman!
Devon wie?
Allman! Devon Allman man.
Devon Allman..
Ja man, Devon Allman! Je weet wel..
Eh..
Devon Allman, de zoon van Gregg Allman..
Greg Allman..
Nee, Gregg Allman, met dubbel g..
Ah..
Gregg Allman! Je weet wel..
Gregg Allman..
Ja man, Gregg Allman! Van The Allman Brothers!
Ehm..
The Allman Brothers Band!
Ok..
Je weet wel.. The Allman Brothers Band.. Gregg Allman, Duane Allman..
Devon toch?
Nee.. Ja, nee.. The Allman Brothers.. van Jessica!
Jessica Allman?
Nee man, Jessica.. Van Top Gear!!
Top Gear? Dat was toch Matt Leblanc?
Huh?
Matt Leblanc.. van Friends..
Hè?
Friends! Joey.. van Friends!
Ja..?
Is het daar een zoon van?
Wie?
Nou, die Devon Allman..
Nee.. Ach, laat maar..
Nou ja, veel plezier in elk geval.

woensdag 10 februari 2016

Vreemde ogen




Er was bezoek over de vloer. Op de koffie. Een vrouw, ook nog. Een dame. Oei. Bezorgd en besmuikt keek de man om zich heen, naar zijn verloederde mannenhuishouden. Hij had al een tijdje niet gestofzuigd bijvoorbeeld, wat geen goed idee was met twee katten in huis, zag hij nu, door de ogen van zijn bezoek.
Hij zag nog wel meer trouwens. Tjongejonge. Wat een bende was het eigenlijk. Overal stond of lag wel iets, maar zelden op zijn eigen plaats. Het meeste hád niet eens een eigen plaats, vreesde hij trouwens meteen het ergste. Het meeste stond of lag gewoon waar het toevallig terecht was gekomen, vaak al in een wat verder verleden. Een zwijnenstal, dat was het. En hij ging ook heus wel al een tijdje gebukt onder het voornemen het nu eens voor eens en voor altijd op te ruimen, en te reorganiseren tot een perfect ingericht huishouden.. maar er kwam altijd iets tussen. Iets leukers, bijvoorbeeld.
Nu hij het door de ogen van zijn bezoek bekeek, leek het allemaal nog erger dan ooit. Zou hij zich verontschuldigen? Als te doen gebruikelijk? Let maar niet op de rommel.. het huisvrouwenexcuus?
Het was al te laat. Zijn bezoek keek al uitgebreid om zich heen, was al uitgebreid op de rommel aan het letten, terwijl hij koffie zette.
Dat zijn huis één groot avontuur was, was het opgetogen, zelfs goedkeurend oordeel. Leuk! vond het bezoek.. met op elk plekje iets bijzonders te zien, en overal een verhaal te vermoeden.
Verdomd! dacht de man, natuurlijk.. dat wás ook zo. Zijn huis was een avontuur! Er werd in geleefd. Het had een verhaal te vertellen. Zíjn verhaal. En dat van zijn gezin. Hij kon zich nog goed herinneren dat hij er zelf ook ooit zo over dacht.
Hij vroeg zich af wanneer hij daarmee was opgehouden.
En waarom.

dinsdag 9 februari 2016

December in Wijnaldum





Sinds we het noordelijk deel van het Nederlands Kustpad lopen, schrijven we voor iedere plaats waar we doorheen wandelen een limerick. Een wandellimerick, ons zelfverzonnen genre. Alles kan ons inspireren: een ontmoeting, een gesprekje, een uitzicht, een observatie.. alles. Niets is ons te min.
In Wijnaldum zagen we de kaatsbaan liggen, even buiten het dorp. Typisch Fries verschijnsel, leek ons dat, een kaatsbaan. Vanaf de andere kant van het dorp werd hij al met enige trots aangegeven, met bordjes. Kaatsbaan, die kant op. Voor een kaatsbaan zag het er treurig uit, nu de ijsvereniging het onder water had gezet. Het was december immers, je kon nooit weten, zeker in Friesland niet. Maar al was het december, vriezen deed het bepaald niet. Dus voor een schaatsbaan zag het er óók nogal treurig uit.

December in Wijnaldum

een wandellimerick

Zoals in de meeste Friese plaatsen
houdt men in Wijnaldum van kaatsen én schaatsen.
Nu de baan blank is gezet,
is het uit met de pret:
tot de vorst kan men schaatsen noch kaatsen.

Kijk ook op samenuitenthuis, voor meer wandellimericks en wandelverslagen.

maandag 8 februari 2016

Beleefd

Pardon, hoorde ik achter mij. Ik stond in de rij, bij de kassa van de supermarkt. Nietsvermoedend stond ik over mijn karretje en de lopende band gebogen, druk in de weer met de boodschappen van de dag, maar blijkbaar stond ik daar iemand bij in de weg.
Nou ja, dat kan gebeuren natuurlijk, dat is helemaal niet erg. Het past ook allemaal maar net, soms, al die klanten met hun volle karren in het smalle gangpaadje tussen de kassa’s door. Met ook nog dat hekje in het midden, en de goed-Hollandse traditie om zo dicht mogelijk op elkaar te dringen, uit angst dat er anders een ander voorkruipt misschien, of omdat er een stukje lopende band is vrijgekomen dat meteen met boodschappen gevuld moet worden omdat men dan aan de beurt is, al kan men er nog niet bij. Kinderwagens, rolstoelen met uitstekende krukken, heen en weer drentelende peuters. Kleuters die het hekje als klimrek gebruiken. Samenklonterende scholieren met allemaal één blikje energydrink. Mensen die weer terug moeten, langs de rij, omdat ze de broccoli niet hebben afgewogen. Mensen die er langs willen zónder boodschappen, of een vergeten boodschap die er ook nog bij moet. Of met de inmiddels afgewogen broccoli. Iemand van de supermarkt zelf, met een belangrijke missie.. het kan allemaal en ik vind het altijd allemaal best. Als iedereen een klein beetje rekening met elkaar houdt, lukt alles. Zo denk ik erover. Dus als er iemand pardon zegt, doe ik beleefd een stapje opzij.
Net als nu. Ik rolde mijn kar uit de weg en maakte mij zo smal mogelijk, strak tegen de lopende band aan. Vriendelijk en misschien zelfs alvast wat verontschuldigend glimlachend keek ik daarbij even om. Om te zien voor wie ik het deed. En waar die bleef, want hoewel er nu ruimte voor was, passeerde er niemand. Mijn welwillende blik ketste af op een sportschoolbrede en onverzettelijke borstkas, die mij, vanaf iets hoger, zelfs geen onwelwillende blik waardig keurde. De zojuist zo beleefd door mij vrijgemaakte ruimte was helemaal niet nodig om mij te passeren, de zojuist zo beleefd door mij vrijgemaakte ruimte was bedoeld als lebensraum voor deze imponerende verschijning en was ook meteen zéér overtuigend breeduit als zodanig ingenomen. Wijdbeens, de machtige armen over elkaar en zich nog breder makend dan hij toch al was, nam de imponerende verschijning met een norse blik zoveel mogelijk territorium in. Een mooi exemplaar van de homo sapiens masculinus alpha, zogezegd. Die gewoon wilde staan waar ik met mijn boodschappen stond te trutten. En daar stond hij dan. Onwrikbaar. Alsof er een azc moest worden tegengehouden. Hij zong hij er dan wel niet het bijbehorend liedje bij, maar het had me nauwelijks nog verbaasd. Want ja.. de imponerende verschijning voldeed nou eenmaal geheel aan het standaardplaatje: een kaalgeschoren boos hoofd met ingeschroefde oorringen boven een stierennek, trainingsjack en daaronder iets met een capuchon, grijze joggingbroek, sportschoenen, héél veel biceps en triceps en wat al niet meer en vast ook nog wel ergens een flinke tattoo. Onverstoorbaar stond hij in twee rijen tegelijk. Hoewel hij niet in de rij stond, uiteraard, de rijen stonden om hem heen. Hij stond hier want hij stond hier. Mocht dat soms niet? Zo stond hij daar. Hij roffelde nog net niet op zijn borst, dacht ik elitair, want zo ben ik nou eenmaal.
Toch vond ik het bij al dat primitieve vertoon dan ook wel weer opmerkelijk dat zo iemand daar eerst pardon voor zegt.

Dit is een bewerking van een reeds eerder hier gepubliceerd stukje. De versie hierboven las ik voor als column op de lokale radio.

donderdag 4 februari 2016

De voortschrijdende tijd






Wat een mooi stadje is Harlingen. We waren er eerder natuurlijk, omdat de vorige etappe er eindigde, maar kwamen toen niet veel verder dan de rand. Nu dwalen we er van die rand af dwars doorheen. Linksaf en rechtsaf langs grachten en binnenhavens, met meest bescheiden maar prachtige oude en opgeknapte geveltjes aan de kant, in alle soorten van de regenboog. Klokgevels, trapgevels, driehoekige of rechte gevels en combinaties daarvan, met versierde daklijsten, witte hoek-ornamenten en kleurige, fantasierijke gevelstenen. Oude pakhuisjes, huizen met trappen ervoor, smalle steegjes en bruggetjes.. alles wat een historisch stadshartje begeert. In de Noorderhaven verraadt zich de vloed. Het water staat zo hoog dat de gietijzeren Raadhuisbrug het oppervlak bijna raakt, van het woud der dukdalven zijn alleen de vuilwitte badmutsen nog te zien zodat ze als in een zwanenmeer over het water uit lijken te waaieren.
Eerder stuiten we nog op het beeld van Anton Wachter, van wie we ons pas herinneren wie dat ook al weer was, als we kort daarna het geboortehuis van Simon Vestdijk passeren. Al blijft het zelfs dan bij een wat muffe herinnering aan de middelbare school. We kennen hem niet persoonlijk, Anton Wachter, alleen van horen zeggen. Misschien is dat, zoveel jaar later, eigenlijk onterecht.
We klimmen een dijk op en lopen dan plotseling langs en over de Tsjerk Hiddessluizen, een complex dat er met zijn afgerond strakke en witgepleisterde jaren vijftig vormgeving als een dubbel anachronisme bijligt: het past niet bij het historisch Harlingen waar we net uitkomen, maar zo modern als het ooit bedoeld is, oogt het ook al een tijdje niet meer. Een monument voor de voortschrijdende tijd.

Maar goed, het industriehavengebied waar we dan in terechtkomen is beslist nóg minder lieflijk nostalgisch. Zandoverslag, dicht op elkaar geschoven vissersboten in roestige kleuren, fantasieloze loodsen en complexen zonder opsmuk en petrochemische industrie met zulke ingewikkelde stelsels van buizen en pijpleidingen dat het moeilijk is voor te stellen dat er ook nog mensen zijn die daar wijs uit kunnen. En of we het als geruststellend moeten opvatten weten we niet, maar rondom staat iedere tien meter een blusinstallatie.
De kleuren die we hier tegenkomen zijn rood, blauw, geel en groen.. maar zeker tegen de donkergrijze en rumoerige wolkenlucht wil het geen vrolijk of kleurig schouwspel worden. Wel mooi, trouwens. Of, nou ja.. stoer, robuust. Ongepolijst. Het hoeft voor ons niet per se altijd paradijselijk ongerept natuurgebied te zijn, waar we doorheen wandelen. We vinden het juist wel boeiend om ook door dit soort zwaar gebruikte industriële landschappen te lopen. Het maakt immers evenzeer deel uit van de kust. En schoonheid tref je overal, zolang je er oog voor hebt.
Op de zeedijk zien we links de Waddenzee, met aan de horizon, hoe heiig ook, Vlieland en Terschelling. Voor de juiste volgorde komt voor de tweede keer vandaag onze schooltijd om de hoek kijken. De tv-tas, inderdaad. Wat, nu ik het zo neerschrijf, als een nogal vreemd ezelsbruggetje op mij overkomt, want wie doet in vredesnaam zijn tv in een tas? Zeker in de bloeitijd van het ezelsbruggetje had je niet veel aan een tas, om je tv te vervoeren. Twee potige kerels, daar had je meer aan. En wat er op tv gebied verder ook veranderd is, in de bijna vijftig jaar waar we het nu over hebben, dat in elk geval niet. Maar goed, het onderwijs is wel vaker ondoorgrondelijk.

Zigzaggend door het Friese landschap gaat het verder. We zien kale, zompige velden in aardkleuren vooral. Bruin, oker en omber. Zwarte plukjes kale bomen aan de einder, hier en daar. Statige boerderijen met afgekloven schuren. We passeren in de verte de Ropta State.
Dan verschijnt de kerktoren van Wijnaldum aan de donkergrijze horizon. Van een afstandje hebben we er geen hoge verwachtingen van. We zien het soort onbijzondere rijtjeshuizen waar er overal in Nederland dertien van in een half dozijn gaan. Maar als we dan een rondje om de kerk lopen, zien we het ware Wijnaldum. Een piepklein stokoud dorpje, in smalle, besloten, uit geel baksteen opgetrokken straatjes, dicht bijeen geschaard rondom de kerk die, zoals dat hoort, op een terp staat. De Andreaskerk, die er ondanks de gele kloostermoppen uit de 15e eeuw uitziet alsof hij er nog maar net staat. Grondig gerenoveerd of zelfs opnieuw opgebouwd, schatten wij in. Van de modern ogende, rood bakstenen toren, waarvan we later lezen dat het inderdaad niet de eerste en zelfs niet de tweede is, weten we dat ter plekke al zeker.
Even buiten Wijnaldum ligt de kaatsbaan er verlaten bij. Onder water gezet door de ijsvereniging ligt hij, naar oud Fries gebruik, op de vorst te wachten.

Langs de Sexbierumer vaart en langs de Riedpolder, langs weilanden van opengetrokken klei, in grote glimmende bonken, grijs, zwart en nat, trotseren we de regen. Aan de vaart treffen we, aan weerszijden van het water, twee onduidelijke, nogal massieve ruïnes aan. We zien nog een restje groene plavuizen en afgebrokkelde gemetselde bogen. De ruïnes horen duidelijk bij elkaar, ze neigen beiden naar de overkant, naar malcander. Het zijn de restanten van een spoorbrug. Ooit reed hier een trein. Van Sexbierum naar Wijnaldum. Stel je voor. Op internet vinden we later uit dat dat ergens tussen 1900 en 1930 geweest moet zijn. Een stoomtrein, rijdend op de lijn Harlingen – Tzummarum, voor de Noord-Friesche Locaal Spoorwegmaatschappij, die in die tijd een uitgebreid netwerk van lokale spoorlijnen onderhield. Er werden passagiers vervoerd, maar ook piepers.
Over de Slachtedijk tenslotte lopen we naar Oosterbierum, het eindpunt voor vandaag. Het is een duizend jaar oude dijk die is samengesteld uit in de loop der jaren langzaam met elkaar verbonden geraakte stukjes dijk die her en der, apart van elkaar werden opgeworpen, als plaatselijke bescherming tegen de destijds verderop gelegen Middelzee. Toen die in de loop der tijd werd afgesloten werd de Slachtedijk afgewaardeerd tot slaperdijk. Vandaag de dag is de Middelzee helemaal verdwenen. Alleen de Slachtedijk herinnert er nog aan. Ook die is een monument voor de voortschrijdende tijd.

dinsdag 2 februari 2016

De mannen van Harlingen





Voor iedere stad of plaats, ieder dorp of gehucht waar we doorheen wandelen, langs dit noordelijk deel van het Nederlands Kustpad, bedenken wij een limerick. Zo hadden we dat bedacht. Wandellimericks, noemen wij het genre, want het beestje moet een naam hebben. Alles kan daarbij een aanleiding zijn: een ontmoeting, een observatie, een uitzicht of een inzicht.
Harlingen deden wij ten tweeden male aan, deze keer. Al kwamen we de eerste keer, de vorige keer, aan het eind van een etappe, niet verder dan het randje, aan de dijk, en bewaarden we het stadje zelf voor de volgende keer. Deze keer dus.
Enfin.
Wandelend door Harlingen, langs grachten en oude binnenhaven, zagen we nogal wat mannen van een bepaald type lopen. Het kan toeval geweest zijn, en als het je eenmaal opvalt ga je erop letten en zie je er steeds meer, maar toch.. het leek wel alsof ze om iedere straathoek stonden te wachten tot wij langskwamen. Vissersmannen. Het lijkt logisch misschien, in een stad als Harlingen, als het niet ook bijna karikaturaal was. Hoe opvallend veel het er waren, maar ook hoe ze stuk voor stuk volledig aan het clichébeeld van de visserman beantwoordden. Bonkig postuur, stoer zwart ribfluwelen werkmansjasje met lederen kraag en ritsen in de zakken, grijze baard en snor, gebreid wollen mutsje op. En nors. Vreselijk nors allemaal. Te nors om ze te durven fotograferen.
Hoe dichter we bij de zeehaven kwamen, hoe meer we er zagen. Daar leken ze trouwens ook wel vandaan te komen, bedachten we in een helder moment. Vooral ook omdat ze daar opeens met rolkoffers achter zich aan liepen. En hoewel het dus net zo goed passagiers van de veerboot van Terschelling konden zijn, met de pest in dat het er weer op zat, op het wonderschone eiland, vonden wij het romantischer te denken dat het van zee terugkerende vissersmannen waren.

De mannen van Harlingen

een wandellimerick

De mannen van Harlingen komen van zee,
in hun kielzog een koffer op wieltjes, gedwee.
De schouders zijn fors,
de snorren staan nors..
de vangst viel ook dit keer niet mee.

Kijk ook op samenuitenthuis, voor meer wandellimericks en wandelverslagen.

dinsdag 15 december 2015

Het zwanenmeer



















Uit de serie: Geen Kunst
Laat u rondleiden door beeldentuin De Wereld door de gids

Je komt het tegen, op je pad. Het ís geen kunst, maar zou dat zo maar wél kunnen zijn. Het is maar net hoe je er naar kijkt. En of je het wilt zien.

woensdag 9 december 2015

Van billen en blaren

Alsof zijn verbouwing nog niet eeuwigdurend genoeg was, was er van de week ook nog eens een ruit uit zijn sponning gestormd. Met een knal en een vloek was het raam uit zijn hand gewaaid. Honderdduizend scherven. Vette pech. En extra werk dus. Hij zat er niet op te wachten, maar goed, het moest wel gebeuren natuurlijk. Tijdelijk zeiltje ervoor, honderdduizend scherven verzamelen in een doos, van overal en nergens, vegen, stofzuigen, waarschuwen voor blote voeten. Raam eruit, schragen uitklappen, laatste brokstukken uit de sponning wrikken en trekken, voorzichtig voor zijn handen, glaslatten stopverfzooi wegbikken, de sponning schoon en dan een nieuwe ruit erin.
Bah.
De man had een hekel aan glas. Gevaarlijk eigenwijs, weerbarstig materiaal waar hij niks mee kon. Al was het handig dat je er doorheen kon kijken natuurlijk. Dat wel.
Voordat hij een nieuwe ruit bestelde, bij het plaatselijk schildersbedrijf, mat hij de lege sponning nauwkeurig op. En omdat meten bij hem nou niet per se altijd weten was, mat hij de lege sponning voor de zekerheid nog zeker twee keer extra op. En extra nauwkeurig. Het zou bepaald niet de eerste keer zijn, in zijn jarenlange kluscarrière, dat er iets te lang of te kort of te groot of te klein was. Eerder was hij verbaasd wanneer het een doodenkele keer eens wél in één keer klopte.
Na drie keer meten met telkens hetzelfde resultaat durfde hij het aan de bestelling door te geven. 104,5 x 56,5. Dat moest het zijn. Met potlood had hij het op de muur geschreven, die was toch nog niet af.
Toen hij de ambachtelijk door de vakman gesneden ruit vanochtend in de sponning wilde leggen, paste dat niet. Dat scheelde een paar strepen, om met zijn klussende buurman te spreken, die zo’n vakterm achteloos op zak had.
Verdorie. Echt verbaasd was de man dus eerlijk gezegd niet, maar hij had wel een beetje de smoor in. Om niet te zeggen behoorlijk. Wat was dat toch met hem, foeterde hij op zichzelf. Was het nou zó moeilijk om iets fatsoenlijk te meten? Drié keer, nota bene, en nóg was het fout. Wat wás hij voor klusser? Hij kon het beter aan de buurman overlaten, dat was duidelijk.
Met lange tanden zette de man zich aan de oneervolle en zeer bewerkelijke taak om dan in vredesnaam de sponning maar een beetje uit te beitelen, want een nieuwe ruit ging hij er niet voor aanschaffen. Wie zijn billen brandde moest op de blaren zitten, het was zijn eigen schuld. Zo was het nou eenmaal.
Hoe het kwam wist hij eigenlijk niet meer, maar toen de sponning een halve ochtend later eindelijk paste, kwam de man op het idee de ruit eens na te meten. Die dus 105 x 56,8 was. Dat scheelde een paar strepen, kijkt u maar even terug. De strepen namelijk die hij net met veel moeite, mokkend en mopperend uit zijn sponning had staan hakken.
Godgloeiende! Zat hij hier een beetje op andermans blaren te zitten!
Goed, hij wist nu dan in elk geval wel dat hij dus niet de enige sukkel was die niet kon meten.
Maar een opluchting was dat niet.

dinsdag 8 december 2015

Don't keep me hangin' on


















Uit de serie: Geen Kunst
Laat u rondleiden door beeldentuin De Wereld door de gids

Je komt het tegen, op je pad. Het ís geen kunst, maar zou dat zo maar wél kunnen zijn. Het is maar net hoe je er naar kijkt. En of je het wilt zien.

zondag 6 december 2015

De benen van de bruid




R
uim anderhalf miljoen bezoekers trekt de Zaanse Schans, gemiddeld, per jaar, de laatste jaren. Anderhalf miljoen toeristen die van over de hele wereld eens een kijkje komen nemen in het Nederland van weleer. Het romantisch reservaat voor het Hollandsch ideaalbeeld waar zo naar terug wordt verlangd, deze bange dagen. Nu zullen ze niet alle anderhalf miljoen met de trein komen, zoals ik vandaag, maar die het wel doen krijgen op NS station Koog Zaandijk toch een merkwaardige eerste indruk. Wat een haveloze treurnis! Wat een vervuilde, verwaarloosde en afgekloven bende. Toeristen schijnen over het algemeen geen bijzonder accuraat idee te hebben van waar Nederland nou precies ligt, eenmaal uitgestapt op Koog Zaandijk zullen de meesten er stellig van overtuigd zijn dat het ergens in de diepste krochten van Oost Europa moet zijn. Eind zeventiger jaren bovendien. Zelfs ikzelf ga even twijfelen. Ik maak me snel uit de voeten. Gelukkig is het mooi weer. Aan de overkant van de Zaan ligt Zaanse Schans opgepoetst te glimmen in de zon, daar ligt het niet aan.
Hoewel Zaanse Schans weldegelijk door echte mensen echt wordt bewoond, bestaat het eigenlijk niet. Tenminste.. het is niet het authentieke Zaanse dorp dat de tand des tijds dapper heeft weerstaan, al die eeuwen, waar je het ook voor zou kunnen houden, als je niet beter wist. In werkelijkheid is het een openluchtmuseum. In 1961 is men begonnen oude houten Zaanse huisjes en schuren en molens, waarvoor elders vanwege de oprukkende moderne tijd geen ruimte meer was, naar deze plek aan de overkant van de Zaan te verplaatsen. Om ze te behouden voor de toekomst.
Wat mensen beweegt er te willen wonen is mij onduidelijk, het moet vreselijk zijn. Ook vandaag, een onbijzondere doordeweekse dag buiten welk seizoen dan ook, wemelt het van de toeristen. Voornamelijk Japanners. Veel bleke, onpraktisch uitgedoste meisjes die het Holland van vroeger uitsluitend via de selfiestick bekijken, zichzelf prominent op de voorgrond, met modieuze gezichtsuitdrukkinkjes. Een authentiek ogende man staat zijn voordeur te schilderen, drie Japanse meisjes hangen schaamteloos over het hek in de hortensia’s, om zichzelf te fotograferen met dit rustieke tafereel in de linkerbovenhoek. De man doopt zijn kwast nog maar eens onverstoorbaar in de verf. Het lijkt of ieder die hier rondloopt de wereld vooral via het schermpje waarneemt. Zelf heb ik ook een camera op zak, maar al zou ik dus allesbehalve uit de toon vallen, ik voel vreemd genoeg teveel schroom om foto’s te maken.



Een paar honderd meter verder houdt het op. Daar staan geen molens meer, geen houten huisjes en toeristenwinkeltjes. Daar rest alleen het landschap. Woest en ledig. Met aan de overkant van de Zaan de industrie. Glimmende silo’s, leidingen en schoorstenen met hier en daar nog een stukje uit rood baksteen gemetseld verleden. Absoluut hoogtepunt wat dat betreft is zeepziederij De Adelaar. Voor de toerist is het te ver, ik vind het een adembenemend uitzicht, al zie ik het niet voor het eerst. Ik loop vandaag een rondje Trekvogelpad, van Zaanse Schans naar Zaanse Schans, omdat de bedenkers van dit pad hier twee mogelijkheden bieden, en ik niet kan kiezen. Ik wil ze allebei. Vandaar een rondje, waarvan een klein stukje dus voor de tweede keer. Niet het minste stukje.
In noordelijke richting loop ik door Bartelsluis onder Wormer door, langs de ringvaart om de Enge Wormer, een droogmakerij uit 1638, met aan de andere kant de Wijde Wormer, die rond 1626 uit zichzelf droogviel. Het verschil is goed te zien. Rechts is het maaiveld twee meter lager, liggen smalle, kaarsrechte sloten met wiskundige precisie naast elkaar. Links staat het water in brede grillige sloten nagenoeg even hoog als de dijk waarover ik loop. Weiland en water lopen er zo goed als naadloos in elkaar over.
Zo opgepoetst en aangeharkt als Zaanse Schans is, zo grof en ongepolijst is het omringend landschap. De industriële horizon uiteraard, met zijn rookpluimen, die de hele wandeling in het oog blijft springen, maar ook tal van half vervallen loodsen en schuren, rommelige erven en schijnbaar aan hun lot overgelaten stukken land. Mij doe je er een plezier mee. Hoogtepunt is een wat afgezonderd erf met een dichtgetimmerd huis, een sterk vervuilde silo en een verzameling verzakte, nog net niet ingestorte boetjes en bouwsels, sommigen eigenlijk nog niet eens afgebouwd, met als stralend middelpunt een pipowagen waarvan de rode luiken in stuitende typografie vrolijk beweren dat men open is. Het is jammer dat ik toch niet verder naar binnen durf.
Nog weer verder, langs de Kalverpolder, tref ik een huisje, ik zie het van verre al staan, met op het dak een enorme windmolen. Veel groter dan het huisje zelf. Het is het soort windmolen dat je soms in een weiland ziet staan, van een gelig soort kunststof, vier wiekjes plus een staartstuk dat de boel in de wind houdt. Maar dan veel en veel groter. Metershoog torent het boven het landschap uit, 32 wieken in een  reusachtige cirkel. Mijn fantasie slaat onmiddellijk op hol. Hier woont een excentrieke uitvinder, een professor die in de verlatenheid van de Zaanse polder een geheimzinnig experiment voorbereidt. Die een allesverwoestende wind wil opwekken en zo de wereldheerschappij in handen denkt te krijgen. Of juist een groot gevaar denkt af te kunnen wenden, en de wereld te redden. Door juist op tijd de koers van de aarde te veranderen, waardoor het gevaar uit de ruimte ons op een haar na mist. Of.. het is een moderne Noach, die zijn huis op wil laten stijgen, en weg, ver weg wil vliegen van dit land in verwarring.


Met een boog loop ik terug naar de Zaan. Tenminste, dat is de bedoeling. In ’t Kalf - een fantasieloze buitenwijk van lage apenrotsflats en piepkleine, haastig uit grindbetonblokken opgetrokken huisjes en woonerven met betegelde tuinen - verdwaal ik jammerlijk, terwijl ik mild bedenk dat het hier dan eigenlijk wel begrijpelijk is dat mensen het gefiguurzaagde woord HOME pontificaal in de vensterbank zetten. Je zou je anders inderdaad kunnen gaan afvragen wat je hier deed, in deze vreugdeloze gribus.
Het Jagersveld, waarvan ik, door de naam misschien, het idee had dat het een natuurgebiedje zou kunnen zijn, blijkt al snel een zeer aangelegd stadspark van grazige ligweiden langs tekentafelwatertjes met designerstrandjes en geometrisch meanderende betonpaden. Er is zelfs een trimbaan, met bij ieder toestel een bordje dat geïllustreerd en al precies uitlegt wat je er moet doen, en hoe vaak. Aardig misschien, zo’n park, als her en der leuke jonge moeders met hun kroost in het gras op aanspraak zitten te wachten, vandaag is het praktisch uitgestorven. Een opa zit er, met zijn drie kleinkinderen, lijdzaam te wachten tot het erop zit. Een moeder met een hoofddoek snauwt tegen haar kind, een magere man wandelt met twee hazewinden. Bejaarden op elektrische fietsen. Ik maak dat ik wegkom.
Wanneer ik de cirkel bijna rond heb, wandel ik Haaldershoek in, en dat is een aangename verrassing. Dit is ongeveer het authentiek Zaanse buurtschapje dat Zaanse Schans probeert te zijn. Een stuk eenvoudiger, dat is waar, veel minder pracht en praal, maar ook zonder toeristen. En daardoor toch bijzonderder misschien, voor mij in elk geval. Schoolkinderen fietsen er achteloos doorheen, met hun modieus op de knieën gescheurde broeken en hun veel te grote kratten met niks erin aan het stuur. Die zien het niet, hoe mooi dit is. Die zien alleen elkaar, wat ook weer mooi is natuurlijk.
Betoverd loop ik een extra rondje. Houten huisjes, strak en glimmend groen met wit in de lak, met luiken aan de ramen en versierde makelaars in de nok. Smalle klinkerstoepjes langs sloten en klassieke tuintjes, en bruggetjes die te smal zijn voor iets anders dan een wandelaar.
Terug in Zaanse Schans verbaas ik me nog één keer over de toeristenmenigte, die dus nooit zal weten hoe lieflijk en stil het er tien minuten verderop bijligt.
Een bruidspaar laat zich fotograferen met de Tinkoepel op de achtergrond. Genadig valt het tegenlicht door de bruidsjurk, en verklapt dat de benen van de bruid er mogen zijn.

Een rondje Zaanse Schans, onderdeel van het Trekvogelpad, gelopen op dinsdag 29 september 2015

donderdag 3 december 2015

Hollandse Friezen







V
oor iedere stad en ieder dorp langs het noordelijk Nederlands Kustpad een limerick. Zo hebben wij dat bedacht, al wandelend. Ieder gehucht, ieder buurtschap, elke vlek op de kaart.. als het een naambord heeft, krijgt het van ons een limerick. Een wandellimerick, want zo noemen wij ons genre. Jaja..
Alles kan daarbij een aanleiding zijn: een ontmoeting, een gesprekje, een observatie.. een uitzicht of een inzicht. Of een vraag, zoals bij Harlingen. Vóór we er binnenlopen hebben we er al één, namelijk: wie is de Stenen Man? Eerst zien we hem op de kaart al staan en later ook in het echt, op de dijk. De Stiennen Man, zoals de Friezen zeggen, of.. ja.. het zijn er eigenlijk twéé, zien wij nu. Twee gebeeldhouwde koppen met haar, besnord en bebaard, die - de weelderige krullen in elkander verstrengeld - elk een andere kant op kijken vanaf een monsterlijke pilaar op een al even lelijke sokkel van gemetselde kinderhoofdjes, zoals die bonkige keien nou eenmaal heten. Het is wel twee keer dezelfde man, zien we nu. Maar wie? En waarom?
Het blijkt te gaan om Caspar de Robles, van 1568 tot 1576 stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe in dienst van de Koning van Hispanje, ons welbekend. Hoewel wij toch zeker menen te weten dat die in die jaren een stuk minder geliefd was. Dus waarom hier dan een beeld staat van een Spanjaard, een vijand.. wij hebben geen idee. Rare jongens, die Friezen.
Het beeld blijkt te herinneren aan de Allerheiligenvloed van 1570, die Friesland grotendeels onder water zet en grote schade aanricht, onder meer aan de dijken rondom Harlingen.
Dat de trotse Friezen in het diepst van hun Friese harten weldegelijk echte Hollanders zijn, blijkt uit het feit dat de vernielde dijken in eerste instantie niet gerepareerd worden omdat de Friezen het niet eens kunnen worden over wie dat allemaal zal betalen.
Het is Caspar de Robles die de kibbelende, beknibbelende partijen toch aan tafel krijgt en er zo voor zorgt dat de zeedijken weer gedicht en versterkt worden, om nieuwe rampen te voorkomen. Ook over het onderhoud worden sluitende afspraken gemaakt: het noordelijk deel komt voor rekening van de binnendijkers, het zuidelijk deel is voor de buitendijkers. Op de grens van die twee delen werd voor alle duidelijkheid een pilaar opgericht. Met het beeld van Caspar de Robles. Die zo tot in lengte van eeuwen naar het noorden en het zuiden blijft toezien op het nakomen van de gemaakte afspraken. Want het blijven Hollanders, die Friezen.


Stadhouder Caspar de Robles
Een wandellimerick

In Harlingen steekt men de loftrompet
van de man die het land van de zee heeft gered.
De vraag die ons kwelt,
is waarom deze held
dan toch als een steen aan de dijk is gezet..


Kijk ook op samenuitenthuis voor meer wandellimericks en wandelverslagen.

dinsdag 1 december 2015

Vieze Verza

Weinig trefzeker liep ik met mijn wagentje over de groente-afdeling van de supermarkt te draaien, te dralen en te zwenken, want wat zouden we vanavond nou weer eens eten? De eeuwige vraag van vandaag. Eerst ging ik dan maar eens op weg naar de tomaten, bedacht ik, om de beslissing nog wat uit te stellen. Tomaten zijn altijd goed. Tomaten houden geen definitieve keuze voor een menu in. Tomaten kunnen overal bij en komen altijd van pas.
Op het laatste moment en net op tijd echter besloot ik van richting te veranderen, naar het fruit, de appels en de mandarijnen, omdat bij de tomaten een raar vrouwtje stond, waar ik geen zin in had, om daar naast te gaan staan.
Het vrouwtje had een merkwaardige, blauw geruite jas aan en die was dan wel niet scheef dichtgeknoopt maar dat had makkelijk gekund, want zo'n jas was het wel. En zo'n vrouwtje was het ook. Haar blonde haar, haar slordig geblondeerde haar, was weldegelijk érg scheef geknipt en zat half door de war en stond half overeind. Ze had een uitdrukkingloos gezicht met een grote scheve neus, waar 's winters waarschijnlijk wel permanent een grote druppel nattigheid aan zou hangen, en doffe lodderogen met rode randjes. Ze zou wel stinken ook, vermoedde ik ongerust. Hu!
En ze blééf maar bij de tomaten staan. Ondertussen had ik met mijn omtrekkende en afwachtende bewegingen al uitgebreid een zak appeltjes gepakt, vijf grapefruits, een doos champignons, een zak spruitjes, een krop sla, een zak sperzieboontjes, een bakje walnoten en vooruit maar, om tijd te rekken ook nog wat kiwi's, ik had alles zorgvuldig afgewogen en dichtgeknoopt en –gevouwen.. ik hoefde alléén nog tomaten.
Met de moed der wanhoop ging ik dan toch in vredesnaam maar naast het vrouwtje staan.. dat meteen schichtig twee tomaten pakte en zich in gebogen krabbegang uit de merkwaardige voeten maakte, met haar beduimelde boodschappentas op wieltjes.
Wel had ik nog snel even gezien waaróm het vrouwtje zo lang bij de tomaten had staan dralen: ze had zo goed als iedere tomaat in haar heksenhanden gehad en er met een nagel in staan prieken, of hij wel hard of zacht of Joost mag weten wát genoeg was. In bijna elke tomaat stond het boogje van haar ranzige nagel gedrukt.
Gedverdemme.
Dan kon ik nu dus een beetje elke tomaat die ik beetpakte na gaan staan kijken of ze er wel van af was gebleven, met haar rare-vrouwtjes-klauwen. Dat kon wel eens een tijdje gaan duren. Tomaat na tomaat liet ik inspecterend door mijn handen gaan. Meer dan de helft kon ik weer in de bak terugleggen, die hoefde ik niet in mijn salade, mopperde ik in mijzelf.
Vanuit mijn ooghoek zag ik een vrouw met een winkelwagentje mijn kant op komen. Op het laatste moment echter besloot ze van richting te veranderen naar het fruit.


Dit bericht verscheen, in iets andere vorm, reeds eerder op dit weblog. Zoals het hierboven staat las ik het voor als column op de lokale radio.

vrijdag 27 november 2015

Man of constant sorrow



















Uit de serie: Geen Kunst
Laat u rondleiden door beeldentuin De Wereld door de gids

dinsdag 24 november 2015

Een vlijtig breister in Wons









Ieder dorp een limerick. Dat is het idee. We lopen het noordelijk deel van het Nederlands Kustpad en bij ieder plaatsje, buurtschap of gehucht waar we door wandelen, bedenken we gaandeweg een limerick. Een zeer geschikt genre hiervoor, vanwege de min of meer verplichte plaatsnaam in de eerste regel, het dwingend metrum en, in verband met het onthouden, de overzichtelijke lengte. Zo vonden wij de wandellimerick uit. Ach ja..
En iedere aanleiding kan er één zijn. Een ontmoeting, een observatie, een uitzicht.. alles is goed genoeg.
In Wons, waarvan ikzelf in elk geval eerder niet wist dat het bestond, werd onze aandacht getrokken door een staaltje noeste huisvlijt van iemand die blijkbaar te weinig kleinkinderen heeft. Een andere verklaring konden wij zo snel niet bedenken.


Een vlijtig breister in Wons
breit zich het jaar rond een ons:
alle hekken en palen
dragen mutsen en sjalen..
zelf loopt ze erbij als een slons.

Zie ook samenuitenthuis, weblog van een wandeling, voor meer wandellimericks en wandelverslagen van het Nederlands Kustpad.

donderdag 13 augustus 2015

In goede banen

Het was de laatste week van de zomervakantie, deze dagen. En op het platteland waar hij woonde was het dan tijd voor het jaarlijkse huttenbouwdorp. Op een veldje aan de rand van de bebouwde kom werd een enorme stapel pallets en afvalhout neergegooid, er werd een partytent opgezet, en de pret kon beginnen. Van heinde en verre werden basisschoolkinderen een week lang elke ochtend door hun vaders maar vooral hun moeders afgeleverd, met een hamer en een zaag in hun rugzak, om tot diep in de middag in groepsverband de meest ambitieuze hutten te bouwen. Onder leiding van een handvol spreekwoordelijk enthousiaste vrijwilligers.
Hartstikke leuk natuurlijk, want met vijf weken vakantie achter de kiezen waren zowel vaders maar vooral moeders als kinderen het wel zo’n beetje zat, met elkaar, en al die ledigheid. Dus de kinderen waren blij dat er tenminste weer iets te doen was, de ouders waren minstens net zo blij dat het kroost eindelijk weer even de deur uit was. Zijn eigen jongens waren er natuurlijk te groot voor, die bouwden al lang geen hutten meer. Nee, die tijd was voorbij. Voor altijd. Maar de man vond dat deze dagen om meer dan één reden wel eens een beetje jammer.
Tja.
Sinds kort werd het jaarlijks huttenbouwveldje trouwens vlak bij zijn huis ingericht. In het kamertje van zijn jongste zoon, waar de man op zijn knieën een laatste hand aan zijn eeuwigdurende verbouwing zat te leggen, was het goed te volgen, door het open raam. Om de haverklap schalde een goed verstaanbare, versterkte mededeling door de straat, die het hutten bouwen in goede banen moest leiden. De mededelingen hadden weliswaar een zonnig en opgewekt bedoelde toon, maar kwamen nogal dwingend over. Veel mededelingen begonnen met: Het is níet toegestaan..! of: Het is níet de bedoeling..! of: Willen álle kinderen onmíddellijk..! Zelfs de oproep om limonade te komen drinken in de partytent was als commando geformuleerd. De man werd er na verloop van tijd een beetje kregel van, eerlijk gezegd. Als zijn jongens er niet te groot voor waren geweest, had hij ze morgen verdorie lekker thuisgehouden.

zondag 9 augustus 2015

Black swan




















Uit de serie: Geen Kunst
Laat u rondleiden door beeldentuin De Wereld door de gids

dinsdag 21 juli 2015

Zij stonden paraat




















Uit de serie: Geen Kunst
Voor een rondwandeling door beeldentuin De Wereld volgt u de gids

maandag 6 juli 2015

De vuurspuwer

 

Uit de serie: Geen Kunst
Voor een volledige rondleiding door beeldentuin De Wereld, volg de gids

dinsdag 30 juni 2015

Een assistent keramist uit Makkum



Voor elke plaats groot of klein langs het noordelijk deel van het Nederlands Kustpad een limerick. Dat is het idee. Puur voor ons eigen pleizier, al mag er meegelezen worden.
En alles kan daarbij een aanleiding zijn. Een observatie, een gebeurtenis of een ontmoeting. Een uitzicht of een inzicht. Of een gemis, in dit geval. Voor Makkum hadden wij ons al kilometers van tevoren verheugd op het gelijknamige en blijkbaar nogal beroemde aardewerk. Met de bijbehorende fabriek en goedgevulde zo niet uitpuilende etalages en souvenirwinkeltjes.
Het kan aan ons gelegen hebben, maar hoe we ook zochten en dwaalden door Makkum, het enige dat we troffen was een verlaten en spuuglelijk fabrieksgebouw waar de naam Tichelaar nog wel op stond, onder de koeienletters Te Huur, maar waar de Makkummer aardewerkfabriek zo te zien al vrij lang geleden uit was vertrokken. Ernaast stond een weliswaar fraai en stokoud maar al even levenloos pandje een voormalig museum te wezen. En verder was er niets te vinden dat de vooruitgesnelde faam van het Makkummer Aardewerk kon rechtvaardigen. Helemaal niets.
Onze limerick was al af, maar we vragen ons af of hij nog wel relevant is? Of er nog wel aardewerk gemaakt wordt in Makkum?

Een assistent keramist uit Makkum
- ik weet het, want ik sprakkum -
zei: ik deed zó m'n best,
maar ik heb het verpest..
het ging niet expres, maar ik brakkum.

Kijk ook op samenuitenthuis, weblog van een wandeling.

zondag 28 juni 2015

Sil de Strandjutter




















Uit de serie: Geen Kunst
Voor een rondleiding door beeldentuin de Wereld, volg de gids