dinsdag 9 april 2013

Getuige

Het was heus niet dat hij de boel in de gaten zat te houden, achter zijn raam. Nee, hij zag het toevallig. Hij zat aan de computer, aan zijn bureau, en dat stond nou eenmaal bij het raam. Vandaar dat hij het zag. Bij toeval. Het was ook niks bijzonders eigenlijk. Gewoon een auto. Een keurig nette, witte, geparkeerde auto, aan het randje van zijn blikveld. De man kende de auto niet, zag hij. Niet dat dat nou zo veel zei, hij kende lang niet alle auto’s in de straat, maar het was niet de auto van de buren. Of de buren verderop. Dat wist hij dan nog wel.
Maar goed, wat het vooral opvallend maakte, was dat er twee jongens in de auto zaten. Opgeschoten jongens, zogezegd. Jongens met petjes, en capuchons. De jongens kende de man ook niet. Scheef- en onderuitgezakt zaten ze in hun auto, en wachtten.
Nou wilde de man er niet meteen wat achter zoeken, want zo wilde hij niet zijn. Al die jongens hadden petjes en capuchons en rijbewijzen en spiksplinternieuwe auto’s tegenwoordig, en verveeld en ongeïnteresseerd waren ze ook bijna allemaal, het waren dus heel gewone jongens. Vond de man dat hij moest vinden. En dat vond hij ook wel, maar toch zat hij de boel nu opeens wel in de gaten te houden, achter zijn raam. Zo was hij dan blijkbaar ook weer, of hij nou wilde of niet.
En zo zag hij dat er even later een tweede auto stopte. Ook een keurig nette, witte auto. Deze tweede auto stopte op de weg, naast de geparkeerde eerste. Hier hadden de jongens duidelijk op gewacht want ze kwamen meteen in beweging. Ze stapten uit en deden de achterklep open. Tegelijk stapten uit de tweede auto een volwassen man, een derde jongen en een meisje uit dezelfde leeftijdscategorie. Het was plotseling een drukte van belang in zijn anders zo rustige straatje. Ook van de tweede auto ging de achterklep open. Uit de achterbak van beide auto’s kwamen nu een aantal traytjes met bloempotjes tevoorschijn. Van die vierkante, wit plastic bloempotjes die met zijn tienen of met zijn twaalven aan elkaar vast zitten. In traytjes. En in elk bloempotje zat een plantje. De man had er weinig verstand van, maar het leken hem zeer onschuldige plantjes. Gewoon, blauwe druifjes of sneeuwklokjes of iets van die aard. Hij zag ook geen verschil tussen de plantjes uit de ene of de andere auto, eerlijk gezegd. Toch gingen de plantjes van de ene auto in de achterbak van de andere. En vice versa. Waarna iedereen weer in zijn eigen auto stapte en om de beurt in de zelfde richting verdween.
Van dit alles was de man per ongeluk, bij toeval, vanachter zijn raam getuige geweest. Hij vroeg zich alleen wel af wáár hij nou in vredesnaam getuige van was geweest.

maandag 8 april 2013

Op het nest (2)

Toch werd de lege nest soep ook weer niet zó heet gegeten hoor, als hij werd opgediend. Want de man kon zich er nou wel bij neerleggen, bij zijn leeglopende nest, hij kon het natuurlijk best als iets onvermijdelijks accepteren, en er dan maar het voordeel van proberen te zien, er zijn voordeel mee proberen te doen zelfs, om zijn eigen gang weer een beetje te gaan.. Hij kon nou zijn eigen plan wel willen trekken, op zoek naar een nieuwe invulling.. de werkelijkheid was natuurlijk weer een stuk grilliger.
Vanochtend, bij het gaan van de wekker, draaide zijn vrouw zich bijvoorbeeld al klaaglijk kreunend en steunend om dat zíj vandaag ziek was. En dat ze de héle dag bleef liggen. In het bed dat hij vanochtend had willen verschonen. In de slaapkamer die hij meteen had willen stofzuigen. Waar hij de was had willen vouwen. En strijken. Voor een lekker fris en opgeruimd, actief begin van de dag.
In de huiskamer, waar hij dan maar wat aan de computer wilde werken, resideerde zijn oudste zoon, even breed- als languit op de bank, met zijn ipod, om in verband met lesuitval pas rond tienen naar school te vertrekken. Met achterlating van de afgegraasde maar niet afgeruimde ontbijttafel uiteraard.
En toen hij om half één thuiskwam met de boodschappen, klaar om wat van zijn middag te maken, hoorde hij buiten de televisie al schetteren en had zijn jongste zoon, die wegens lesuitval een lekker kort dagje had vandaag, alweer bezit genomen van het huis. Met the A team op volle kracht. En nee, iets te eten of te drinken had hij nog niet gemaakt voor zichzelf. Maar trek had hij eigenlijk wel.
En zo voelde de man zijn goede zin langzaam maar zeker onder zich wegzakken. Voor een positieve omgang met het lege nest syndroom was het duidelijk nog veel te vroeg. Zijn nest wás helemaal niet leeg. Het was zelfs niet halfleeg. Het zat eerder een beetje te vol.

woensdag 3 april 2013

Op het nest

Weblog van een huisvader. Het stond er al jaren, boven zijn stukjes, op internet. Tja. Ach, het stelde verder ook niet zo veel voor, dat vond hij nou eenmaal leuk, stukjes schrijven, en het beestje moest een naam hebben. Weblog van een huisvader dus. Stukjes over zijn dagelijks leven als huisman en vader, niks bijzonders. Omdat je het anders maar vergat allemaal, zo onbeduidend. Al jaren deed hij dat. De jaren dat zijn jongens nog peuters, zijn jongens nog kleuters, zijn jongens nog jongetjes waren. Zijn dochter nog een kleine meid. De jaren dat de dagelijkse zorg nog zo’n beetje een dagtaak was. De gouden jaren.
Inmiddels was zelfs zijn jongste zoon, de kleinste van het stel nota bene, al lang en breed een puberende middelbare scholier. En was de man zich geleidelijk af gaan vragen of hij nou eigenlijk nog wel huisvader was. Was hij stilletjes aan gaan denken van niet. Zijn dochter was al jaren het huis uit natuurlijk, daar was hij nu wel aan gewend, maar ook zijn jongens hadden hem eigenlijk niet meer zo heel erg nodig. Niet om hun boterhammen te smeren in elk geval. Niet om pleisters te plakken en kusjes te geven op zere plekken of wandelingetjes door het bos. Niet om hutten te bouwen en schaapjes te aaien en boekjes voor te lezen. De dagelijkse dingen. Zelfs op school, de middelbare school, was hij helemaal nergens meer voor nodig. Daar wisten ze niet eens wie hij was.
En zo stond de man dan een beetje bedremmeld rond te kijken in zijn eigen leven. Want als hij geen huisvader was, wat was hij dan wel? Hij wist het niet zo gauw.
Waarom moest het voorbij gaan, vroeg de man zich af. Waarom zo snel? En wat moest hij nu?
Zijn vrouw zag het met lede ogen aan, haar mans identiteitscrisis. Zij dacht namelijk niet zozeer dat het een identiteitscrisis was, zij dacht dat hij last had van het lege nest syndroom. En dat dacht de man nu ook. Het was een beetje vroeg misschien, zijn nest was nog niet echt leeg, zijn jongen zaten nog een beetje op de rand, hingen nog wat rond, rondom het nest, maar hij vond het wel wat hebben: het lege nest syndroom. Het maakte hem in elk geval weer een beetje een huisvader. Huisvader dan dat zou het wel niet meer worden.

vrijdag 30 november 2012

Gelezen

Bij toeval stuitte ik vandaag op een recensie van Jaap Friso over "Er zit een feest in mij", Querido's vijfde poëziespektakel. Goed, goed, goed.. helemaal toevallig was het nou ook weer niet, ik had mijn eigen naam gegoogled. Enige ijdelheid is mij niet vreemd, en zo kwam het dus. Want daar staat ook een gedicht van mij in. Dát is lachen, heet dat. Het is een beetje achter de feiten aan hobbelen natuurlijk, want het boek is van september en de recensie van oktober, maar ik vind het toch aardig om er even op gewezen te hebben. De site van Jaap Friso heet Jaap Leest, en de recensie vind je hier. Jaap leest ook een paar gedichten voor.

dinsdag 16 oktober 2012

De Koningin van Borculo

Een jeugdherinnering. Als aan- en inleiding voor toch nog een laatste versje ter ere van de kinderboekenweek. En als overgang naar de normale gang van zaken alhier.
Ik zal zeven geweest zijn, of acht, toen Sinterklaas op bezoek kwam, op het kantoor waar mijn vader werkte. Net als eerdere jaren trouwens, en net als de jaren daarna. Ik had, ondanks de vreemde zigzagsteek langs zijn baard, nog een heilig ontzag voor Sinterklaas, want die zigzagsteek, had mijn moeder verteld, dat kwam van het scheren. En als je moeder iets zei dan was dat in die jaren nog gewoon zo.
Het was als vanouds de bedoeling dat wij, de kinderen van alle collega’s, om de beurt bij de Sint zouden komen staan, iets voor Hem zouden zingen en dan ons cadeautje kregen. De meeste kinderen kozen daarbij voor een bedremmeld afgeraffeld Sinterklaas Kapoentje, maar ik had dat jaar besloten het eens helemaal anders aan te pakken. Die neiging zat er namelijk al vroeg in.
Altijd maar dat eeuwige Sinterklaas Kapoentje, dacht ik, dat zou Hij ook wel eens zat worden. En gewoon een ander liedje zingen was blijkbaar niet goed genoeg, want ook die neiging zat er al vroeg in, dus droeg ik dat jaar, uit mijn hoofd, een gedicht voor, voor Sinterklaas. Een héél láng gedicht. Van Annie MG Schmidt. De Koningin Van Borculo, heette het. De eerste paar regels weet ik nog steeds, zo ongeveer, lees maar:
De koningin van Borculo,
had vijfendertig oren:
achttien aan de achterkant en
zeventien van voren,
waarmee zij alles,
in heel haar land,
ontzettend goed kon horen.

Iedereen in Borculo moest daarom heel zachtjes doen en altijd maar fluisteren, weet ik ook nog, want de koningin kreeg overal hoofdpijn van. De knapste doktoren wisten geen raad. Tot een erg slim jongetje op het idee kwam in drieëndertig van de vijfendertig oren watjes te doen. Waarna het probleem was opgelost en iedereen weer naar hartelust kon zagen en hameren en boren, en fluiten en zingen bij het werk.
Nou ja, goed, zoiets weet je dan járen zeker, je vertelt het hele verhaal graag en in geuren en kleuren aan je vrouw en kinderen, als het zo te pas komt, en op zekere dag bedenk je, in een sentimentele bui waarschijnlijk, dat het wel aardig zou zijn dat gedicht nog eens terug te lezen. Om dat nog eens op te zoeken. En dan komt je hele mooie verhaal op losse schroeven te staan omdat het nergens te vinden is. In géén van Annie’s boeken blijkt het te staan. Zelfs een speurtocht op het alwetende internet leverde niets op. Van Annie MG Schmidt zal het dus in elk geval wel niet zijn want daar is iedere letter wel zo ongeveer van uitgegeven en opnieuw gebundeld. Maar dat is dan nog tot daar aan toe. De vraag is vooral: wat is er nog meer allemaal niet waar? Van wat ik nu nog zeker weet.
En: waar is zij gebleven, de Koningin van Borculo?




De Koningin van Borculo
(een oproep)

Och, Koningin van Borculo
waar bent U toch gebleven?
Op héél het wereldwijde web..
geen teken meer van leven..
Ik had U uit mijn hoofd geleerd
toen ik een jongen was,
om al Uw strofen voor te dragen,
aan de juffrouw,
en de klas.

U was, heb ik altijd gedacht,
bedacht door Annie Schmidt,
maar bij mijn zoektocht, op het web,
 bleek eigenlijk van niet..
Ik kwam er ook niet achter
van wie U dán zou wezen,
ach, Koningin van Borculo,
graag zou ik U nog eens lezen.

U had, weet ik nog, Koningin,
iets meer dan dertig oren:
een aantal aan de achterkant,
de rest, die zat van voren.
Hoe het verder ging, of afliep..
dat zou ik niet meer weten,
maar ik ben U dus, mijn Koningin,
niet helemáál vergeten.

txt&bld©JosvanVenrooij

dinsdag 4 september 2012

Feest

Vorige week verscheen "Er zit een feest in mij", het vijfde poëziespektakel van Querido, samengesteld door Ted van Lieshout. Met werk van 85 dichters en 25 illustratoren geeft het boek een feestelijk overzicht van de stand van zaken in de nederlandse kinderpoëzie. En dan is het natuurlijk wel leuk om daar tussen te staan. Op bladzijde 43 staat mijn gedicht "Dát is lachen". Snel naar de boekwinkel, vóór het is uitverkocht!


vrijdag 6 juli 2012

Coupe

In de vierzitter naast hem zaten twee meisjes. Twee meisjes uit een dozijn. Opzichtige zonnebrillen in lange, sluike haren, te kleine truitjes waar voortdurend aan gefrunnikt en geschikt en gedaan moest worden, zwaar opgemaakt en bepoederd, een te grote glimmende handtas binnen handbereik en de superieur ongeïnteresseerde blik permanent aan het schermpje vastgekleefd. Ze praatten wel met elkaar, op de bekende overhaaste meisjestoon, maar keken elkaar niet aan. Hooguit keken ze af en toe op elkáárs schermpje. Dat was het nieuwe oogcontact, bedacht de man ter plekke, op elkaars schermpje kijken. Verder viel hem op dat de meisjes, hoewel ze hun schermpjes dus geen seconde uit het oog verloren, hun blik erop toch nog iets achteloos wisten mee te geven.  Wat hij best knap vond, eigenlijk.
“Hoe gay kun je zijn?”, rondde één van de meisje het onderwerp af. Het onderwerp, dat was de voetballer Ronaldo geweest, begreep de man, omdat de meisjes, op hun schermpjes, spottend hadden vastgesteld dat hij zijn haar in de eerste helft héél anders had zitten dan in de tweede helft. En dat hij dus in de rust zijn háár had gedaan.
Vandaar, nogmaals: hoe gay kun je zijn?
Waarop het andere meisje gebaarde en shushte van ssst, met een tersluikse hoofdbeweging naar de man, die daar gewoon zijn boek zat te lezen maar het heus wel zag, en hoorde.
Ach ja.
In elk geval wist hij nu dat zijn haar goed zat.

woensdag 20 juni 2012

Echt paar

Tegenover hem zat een echtpaar. Een keurig echtpaar. Een dame en een heer, zogezegd. Ze leken hem eigenlijk wat misplaatst in de trein, en dan ook nog eens de tweede klasse, maar ze zaten er. In keurige lange jassen, beschaafd en zorgvuldig gekleed. De heer een rossige borstelsnor en een duur montuur, zijn vrouw een rode leesbril, een sjaaltje en een grijze boblijn. Aandachtig las ze een brochure van het een of ander cultureel evenement, die ze in haar tas had meegenomen. Af en toe wees ze haar man ergens op en dan keek hij en knikte welwillend. Of zei op zachte toon iets instemmends terug. Zelf bladerde de heer door een Spits, of een Metro, en toen hij al vrij snel was uitgebladerd, legde hij die opgevouwen terug op het tafeltje, waar hij hem ook had gevonden. Hij bewoog zich daarbij voor zijn vrouw langs, want zij zat aan het raam. Meteen, en zonder uit haar brochure op te kijken, in een achteloos en schijnbaar automatisch gebaar, verschikte zijn vrouw het krantje op tafel. Iets naar links of naar rechts of naar boven, tot een voor mannelijke ogen niet waarneembare perfectie. Het was een voorval van niks natuurlijk, zo op het eerste gezicht. Maar de man dacht dat het wel eens behoorlijk veelzeggend kon zijn, voor het echtpaar. Misschien zelfs wel voor het huwelijk in het algemeen.

zaterdag 9 juni 2012

Damesblad

Of hij mee wilde werken aan een artikel in een groot en bekend damesblad, was de vraag. Een leuk artikel over de vaders van nu, zou het worden. Ter gelegenheid van vaderdag, hoogstwaarschijnlijk. Nou, dat wilde de man natuurlijk wel. Sowieso pakte hij elke kans om zijn grijze huismannenbestaan te doorbreken met beide afwashandschoenen aan, maar dit bood ook nog eens uitzicht op de onverdeelde aandacht van bijna alle vrouwen in Nederland. Stel je voor.. een weeklang zou hij als officieel erkend leuke vader van nu in alle Nederlandse huiskamers op de salontafel liggen. In lectuurbakken en tussen de kussens van driezitsbanken. En dat niet alleen.. hij zou verkrijgbaar zijn in elke boekwinkel en kiosk, op iedere boekafdeling van ieder warenhuis. Hij zou worden doorgegeven van moeder op dochter, van buurvrouw naar buurvrouw, van vriendin naar vriendin. En daarna zou hij nog máánden rondslingeren in leesportefeuilles in wachtkamers van huisartsen, kappers en fysiotherapeuten. Miljoenen keren zou hij worden doorgebladerd, bekeken en gelezen. Dichter bij de roem zou hij nooit komen, dus ja hoor, daar wilde hij best aan meewerken.
En of het dan ook klopte dat hij voltijds huisvader was, wilde het damesblad nog weten, en dat zijn vróuw de hele week werkte. En of hij dan óók nog het huishouden deed.
Jazeker, jubelde de man, dat was allemaal helemaal waar, en dolenthousiast noteerde hij de ochtend dat het damesblad langs zou komen om hem, met zijn zonen, te fotograferen, bij een leuke, gezamenlijke activiteit. Liefst een vader-en-zoon-ding, was het verzoek, waarop de man iets had geroepen over zagen, timmeren en solderen, of pannenkoeken bakken.
Pas toen hij de telefoon allang had neergelegd, en zijn stof weer wat was gaan liggen, bedacht hij zich dat zijn huishouden, en zeker zijn timmerschuurtje en met name zijn keuken, verre van damesbladproof was. Als de vrouwen van Nederland dit zagen, wisten ze het meteen helemáál zeker: Mannen Kunnen Dat Niet. Er zat maar één ding op, de man moest doen waar hij niet voor betaald werd en zijn achterstanden zo goed als mogelijk wegwerken.
Als een witte tornado ging hij door zijn huis, de dagen voor de afspraak. Hij bracht zijn timmerschuurtje op orde, boende en schrobde de keuken van onder tot boven en tot ver achter de deurtjes, zeemde de ramen van voor naar achter en van boven tot beneden, stofzuigde, veegde en dweilde, mestte open kasten uit, leegde horizontale oppervlakken, rangschikte vazen en snuisterijen opnieuw tot gezellige en artistieke taferelen. Tot diep in de nacht was hij bezig, maar hij ontving de vrouwen van Nederland, de fotografe en de styliste van het damesblad, in een keurig opgeruimd en blinkend schoon huis.
Jammer dus dat die het er al snel over eens waren dat het met het mooie weer van vandaag wel leuk zou zijn de foto  helemaal achterin de tuin te maken, aan de kant van de sloot die daar liep. Iets jongensachtig stoers met stokken en messen, hadden ze zo gedacht.
Of de man de rommel die daar stond misschien nog een beetje uit beeld kon schuiven.

woensdag 16 mei 2012

Eind niet al goed

Goed, dan word je dus bijna doodgereden door een brommer, op klaarlichte dag recht voor de kerk, maar dat is nog tot daaraan toe. Of, tenminste.. ja, je schrikt natuurlijk. Je schrikt je te pletter. Komt zo’n jongen opeens recht op je af scheuren, op z’n knetterende crossbrommer, aan jouw kant van de weg. Omdat hij te cool is om braaf met de S van de weg mee te rijden, waarschijnlijk. Omdat hij het wel bij een sportieve rijstijl vindt passen om in één rechte streep twee bochten tegelijk af te snijden, en jou, een ouwe lul op de fiets, daar meteen eens een beetje bij te laten schrikken. Heeft hij ook weer een mooi stoer verhaal om aan zijn matties te vertellen.
Of misschien heeft hij je wel helemaal niet eens gezien. Of wel, maar je kop staat hem niet aan, of je jasje, je kijkt iets te lang in zijn richting.. weet jij veel wat er in die halfdoodgeblowde, door hormonen en energydrankjes vertroebelde puberhersens omgaat? Zien kun je het in elk geval niet want hij heeft een integraalhelm met spiegelglas op, een vorm van gezichtsbedekkende kleding waar je nou nooit eens iemand over hoort klagen, vreemd genoeg.
Als een groot, boos insect komt hij razend op je af. Je wijkt uit, je raakt de stoeprand nét niet, je voelt de jongen op de brommer rákelings langs je heen gaan, je valt niet, je wordt niet geraakt, je roept iets als: eikel, of: klootzak, en het loopt allemaal maar net goed af.
En je schrikt. Je schrikt je te pletter. Maar dat is dus niet het ergste. Het ergste is dat je daarna nog een hele tijd bezig bent af te rekenen met je eigen machteloze woede. Je eigen kolkende gedachten over wat er had kúnnen gebeuren. Als het net níet goed was afgelopen. Als je jongens van twaalf en dertien daar slingerend naast elkaar hadden gefietst. Als een winkelende kleuter de straat op was gerend. Zeker een uur raast er een niet te stoppen stroom wraakscenario’s en borreltafelgedachten door je hoofd, voordat je weer een beetje terug bent bij het goede humeur waar je mee van huis was gegaan. En dat is het ergste. Want zoveel aandacht, dat gun je zo’n jongen niet.

maandag 14 mei 2012

Het geluk en de eenvoud

Eigenlijk heb je ook helemaal niet zo héél veel nodig, om gelukkig te zijn. Want kijk, daar rijdt mijn jongste zoon, met de wind mee van de dijk af, in volle vaart op zijn fiets. Zijn lange haren wapperen woest om zijn hoofd, zijn voeten van de trappers, scooteren, jubelen van plezier. En hop, daar zwelt het vaderhart alweer. Van geluk dus. Om zoiets eenvoudigs. Om zoiets kleins. Of.. nou ja.. noem het maar iets kleins, eigenlijk. Die vindt dat dus nog leuk, met zijn vader een eindje fietsen. Twaalf jaar, maar die vindt dat nog net zo leuk als zijn vader het zelf vindt. Alle reden, wil ik maar zeggen, om in mijn handjes te knijpen.

donderdag 26 april 2012

Onder de mensen

Op het perron kwam de man een voetbalsupporter tegen. Dat kwam wel eens vaker voor, hij was er alleen nooit zo blij mee, eerlijk gezegd. Dit was er dan maar één, maar toch.. als er één was, waren er meestal nog wel meer ook en het waren nou niet bepaald zijn favoriete medereizigers, in het algemeen. Hij wilde niet denigrerend overkomen, maar van volwassen mensen die zich vrijwillig uitdosten met lelijke lange sjaals met grote letters en debiele petjes en hoofddeksels in schreeuwende hoempapakleuren had hij nou eenmaal nooit zulke hoge verwachtingen. Het mócht wel van hem, dat wel, natúúrlijk.. vrijheid blijheid, zeker.. maar hij hoefde er niet per se mee in een trein te zitten.
Hij hoefde er trouwens ook niet per se een gesprek mee te voeren, maar daar dacht deze voetbalsupporter jammer genoeg anders over. De man liep recht in zijn armen, er was geen ontkomen aan. Hij probeerde het nog wel, maar de voetbalsupporter was zijn praatje al begonnen en liep gewoon achter hem aan. De man had geen andere keuze dan maar zo goed en zo kwaad als het ging een beleefd eindje met hem op te kletsen tot de trein kwam, al wist hij niets van voetbal.
En ach, dacht hij na een tijdje, uiteindelijk viel het ook wel weer mee. Goed, de supporter had een lelijk petje diep over zijn waterige ogen getrokken, zodat zijn haar vanachter raar omhoog werd gehouden, het petje in, en boven het bandje door het gat dat daar zit er weer uit, met een vreemde horizontale scheiding op een merkwaardige plaats, maar dat zag je bijna niet door de wanstaltige sjaal die om zijn nek zat gewikkeld, en verder was hij eigenlijk niet onvriendelijk. Hij babbelde goedmoedig door over de wedstrijd en de goals, de kansen en de gespannen verwachtingen voor de volgende week.
En omdat hij nou eenmaal toch in het schuitje zat stelde de man af en toe een vraag, om het gesprek dan ook maar op gang te houden. Ach ja, dacht de man, ach ja. Wat kon het ook voor kwaad een praatje te maken met je medemens. Hij begon al bijna niet meer op te zien tegen wat hoe langer het praatje duurde steeds onvermijdelijker werd: een gezamenlijke treinreis. Samen in een bankje tot op zijn minst het eerstvolgende station. Dat moest dan maar, dacht hij zelfs al bijna, wat maakte het uit. Hij moest het maar zien als een journalistiek antropologisch avontuur, je wist nooit wat je allemaal meemaakte.
Tot de supporter halverwege zijn zin een pauze inlaste om zijn wijsvinger tot aan het derde kootje in zijn neusgat heen en weer te draaien, op zoek naar Joost mag weten wat. Toen had de man het wel weer gehad met de antropologie en de menslievendheid.
Maar ja, hoe kwam hij er nu weer vanaf?

dinsdag 24 april 2012

Mannendingetje

Ooit had de man een prima muziekinstallatie bij elkaar gespaard waar hij erg tevreden mee was. Terugkijkend was dat wel alweer erg lang geleden eigenlijk, want gut, wat draaide hij daarop? David Bowie, Talking Heads, The Police. Comsat Angels, Joe Jackson, The Jam. The Beat, niet te vergeten.
Later, in een toch óók al behoorlijk grijs verleden, hadden zijn boxen het als eerste begeven, en met het verhaal dat hij eerst voor iets fatsoenlijks zou sparen, waren die voor zolang even vervangen door een onoorlijk stel ongeregeld uit de kringloopwinkel. Later aangevuld met een dito versterker en cd speler omdat die het inmiddels ook niet meer deden. Alleen zijn platenspeler liet hem niet in de steek.
Jarenlang had hij vervolgens mopperend maar laks, laks maar mopperend de vele ongemakken van zijn aldus aangespoelde stereo voor lief genomen. Geruis, gebrom, gekraak en gezoem. En heel in de verte nog het vermoeden van muziek. Het laatste jaar, hij schaamde zich bijna het te vertellen, moest hij zelfs regelmatig flink op zijn versterker slaan, met de vlakke hand op de rechterbovenhoek, boven de volumeschuif, om toch ergens één of ander contact tot stand te brengen en dat vermoeden in elk geval nog uit twéé boxen te laten komen. Tja.
Maar kortgeleden was de geest dan eindelijk over hem gekomen, of in hem gevaren, of door zijn vrouw over hem afgeroepen of hoe je dat maar wilde bekijken, en had hij spikpepernieuwe spullen aangeschaft. Het was heel erg een mannending natuurlijk, dat wist hij heus wel, maar wát een verademing! Wát een verrijking van zijn leven! Dagenlang zat hij al met een gelukzalige glimlach als gehypnotiseerd in zijn stoel, precies in het midden en op de voorgeschreven afstand, het ene na het andere cdtje te spelen. Hij hoorde bliepjes en piepjes en knorretjes die hij nog nooit gehoord had.
En dan zag je meteen ook weer eens hoe wonderlijk het geheugen werkte, vooral bij muziek. De raarste en onbeduidendste weetjes en wistjedatjes kwamen bovenborrelen, bij de oudste muziekjes. Want kijk, nu haalde hij dus een elpee van The Beat uit de hoes, jaren niet gedraaid, maar wist hij nog precies dat bij die elpee de etiketten verkeerdom geplakt zaten. En dat hij dus kant B op moest zetten om kant A te horen. Tears of a clown. Hands off… she’s mine. Mirror in the bathroom. Daar zakte de naald in de groef. Haarscherp klonk het nostalgisch gekraak van vinyl door zijn nieuwe boxen. En werd Too nice to talk to ingezet. Het eerste nummer van kant B.
Zijn geheugen werkte dus helemaal niet wonderlijk, besefte de man nu. Het deed gewoon maar wat.

vrijdag 20 april 2012

Ingenieur aan huis

Er stond een meneer met een fotocamera aan de deur. Een fotocamera en een clipboard. Hij stelde zich voor, met ferme handdruk en al, als een officiële meneer van een officieel bouwkundig ingenieursburo, en of hij even een rondje door het huis mocht maken, met zijn camera en zijn clipboard, om de schade op te nemen. De man was zich van geen schade bewust, maar het was in verband met de binnenkort beginnende onderhoudswerkzaamheden aan de straat en de riolering. Door de gemeente. Dat daar dus in elk geval geen discussie meer over kon ontstaan. Achteraf. De man herinnerde zich hier inderdaad vaag een brief over, dus, ja.. gut.. nou.. bedremmeld liet de man de meneer dan maar binnen, maar eigenlijk hoefde dat al niet meer want die stond al in de gang en liet zijn speurende blik vast over de eerste plafonds en wanden gaan.
Dat hij aan het verbouwen was, probeerde de man het ijs wat te breken, dus dat de meneer heel wat schade kon verwachten. Maar het ijs was heel dik en het vertoonde geen barstjes. De meneer was hier niet voor de gezelligheid. Hij kende zijn pappenheimers. Nu zoete broodjes bakken en straks weer allemaal onterechte schade claimen bij de gemeente. Daar kwam hij dus een stokje voor steken. Harde bewijzen, kwam hij verzamelen.
Als de man het goed vond, stommelde de meneer meteen maar de trap op, begon hij zijn rondje graag boven. Zonder verdere plichtplegingen stapte hij de slaapkamer binnen, trok ongevraagd alle vaste kasten open, die de man kortgeleden nog zelf had getimmerd, op zoek naar schade. Trok wat kleding opzij in de hangkast, keek achter het gordijn, keek nog net niet onder het bed, klopte op de muur en maakte tenslotte een foto waar volgens de man het onopgemaakte en zeer beslapen echtelijk bed ook op moest staan en meldde toen aan zijn camera dat er aan de slaapkamer vóór geen zichtbare schade was. Aan zijn camera, meldde hij dat, die hij daarvoor bij zijn mond hield. Met een gezicht alsof het allemaal de normaalste zaak van de wereld was. Aan zijn stem was niet te horen of hij teleurgesteld of juist opgelucht was, dat hij geen schade had gevonden, maar toch zou de man zijn stem ook niet als neutraal willen omschrijven. De meneer wist dat hij de schade heus wel zou vinden, al was het niet in de slaapkamer.
En verderop in het huis kwam hij inderdaad volop zichtbare schade tegen. Telkens nam hij er een foto van en meldde zijn camera, op steeds diezelfde onbewogen toon, wat hij zag. Slaapkamer links achter, naden in het plafond zichtbaar. Overloop, gaten in het plaatwerk. Gang beneden, los stucwerk algemeen. Woonkamer, scheuren rond deurkozijn. Keuken, krimpnaden langs plafondafwerking rondom.
De man ging zich steeds meer een betrapte schooljongen voelen, die streng maar rechtvaardig met zijn neus op de feiten werd gedrukt. En daar had hij eigenlijk helemaal geen zin in. Hij had net zo’n goed humeur. Hij besloot dan ook dat hij er niet langer achteraan bleef lopen. Als de meneer het nodig vond om alle schoonheidsfoutjes en kleine oneffenheidjes van zijn huis op te sommen en te fotograferen, dan deed hij dat maar lekker alleen.

maandag 9 april 2012

Avond

Het begon steeds meer op een duivenhok te lijken, zijn huisgezin, en hij wist maar zelden wie wanneer wel of niet thuis was en voor hoelang. Al was er tegenwoordig dus altijd wel íemand thuis, om hem vanachter krant, tijdschrift of Donald Duck op zijn vingers te kijken. Uit zijn ritme te halen. Zijn ritme dat niet meer bestond. In zijn eigen tijd, waar door Jan en alleman maar grote happen uit werden genomen. Hij kon er maar moeilijk aan wennen, eerlijk gezegd.
Vanavond was zijn vrouw dan juist weer ergens naar toe waarvan ze niet wist hoe lang het ging duren, maar misschien wel de hele avond. Nou ja, de man zat wel goed vanavond, op de bank. Met een boek, en een pot thee, de afwas aan de kant en de tijd toch weer even aan zichzelf. Zijn jongens zaten ook te lezen, er stond een leuk cd-tje op.. prima zo. Misschien dat hij straks nog een film ging kijken, op tv. Of misschien ook wel niet. Misschien keek hij alleen even of het wat was, de film, of niet. Of anders bleef hij bij zijn boek.. hij zou het wel zien.
Maar daar was zijn vrouw alweer thuis. Het was allemaal nogal snel gegaan, vandaar, gaf ze een vluchtige kus, en dat ze nu een film ging kijken die híj niet wilde zien. Dat zei zijn vrouw er altijd bij, dat hij hem niet wilde zien. Dat het dus zo’n soort film was. Of hij dat erg vond, vroeg ze nog, maar de tv stond al aan. Dus of de muziek misschien iets zachter kon, want ze had dan wel de koptelefoon op, ze hoorde het er dwars doorheen. Toen de man even later opstond om een nieuw cd-tje op te zetten, klikte zijn vrouw het leeslampje uit, nu hij toch niet meer las, en trouwens, als hij toch geen muziek meer draaide hoefde zij hier natuurlijk ook niet meer met die vervelende koptelefoon te zitten. Hopla, daar vulde de kamer, het hele huis zich al met het irritante accentje van Meryl Streep.
De man maakte een lange avondwandeling.

dinsdag 3 april 2012

Hand in hand

Mijn oudste zoon zit op de middelbare school tegenwoordig. En dat betekent, zo blijkt, dat hij vrij vaak halve dagen thuis op de bank de uren zit te tellen dat hij eigenlijk op school had moeten zijn, als de lessen niet waren uitgevallen hoera hoera en jippiejajee. Vandaag ging ik dus maar een stukje met hem wandelen. Om het nutteloze met het aangename te verenigen. Het was ook nog eens mooi weer tenslotte.
Dat doen we trouwens graag hoor, mijn zoon en ik, samen een eindje wandelen. Hij babbelt er dan vrolijk onsamenhangend op los, en ik brom wat van hmhm en nounou en zozo, ook als ik geen idee heb waar hij het over heeft, dat maakt niks uit. Als vader weet je precies wanneer je hoe moet brommen om de woordenstroom op gang te houden. Gezellig.
En meestal, als we daar dan zo lopen, vindt zijn hand nog steeds automatisch de mijne. Een grote hand, heb je dan al te pakken. Leuk, vind ik dat, dat dat zo gaat. Of eigenlijk vind ik het nog wel iets anders dan leuk. Iets groters. Iets waar ik nu even geen woord voor weet.
De dames, die we onderweg tegenkomen, die vinden het leuk. De oudere dames, de jonge moeders. Welwillend glimlachen ze mij toe, hoe fijn ik daar loop te wandelen, hand in hand met mijn grote zoon.
De sliert schoolmeisjes die kwetterend en twitterend langs komt fietsen, heeft er geen oog voor. Op een paar na. Die kijken bevreemd om, om te zien of ze het goed gezien hebben. Grote ogen vol meisjesafgrijzen. Mijn zoon heeft het niet in de gaten. Gelukkig. Maar hoe lang nog?

dinsdag 27 maart 2012

Werkdag

Mijn oudste zoon heeft toetsweek op school. Nou ja, op school.. Eigenlijk hoeft hij dus juist nauwelijks naar school. Om een uur of tien vertrekt hij dan maar eens zo’n beetje, op zijn gemakkie, zijn dooie akkertje van pompiedompiedom, en voor ik de computer goed en wel heb opgestart is hij om één uur alweer terug. Voor de vorm bladert hij dan nog een half uurtje door zijn boeken voor de toets van morgen, maar de rest van de dag lummelt hij maar wat om zijn vader heen. Ligt hij languit op de bank zijn Donald Duck te lezen. En of hij wat mag snoepen, bij zijn glaasje limonade.
En mijn vrouw voelt zich niet zo lekker, deze weken. Ze gaat daarom alleen halve dagen naar haar werk, al vertelt ze van tevoren niet van welke dag ze welke helft gaat. Dat is net hoe het uitkomt en hoe ze zich voelt, op het moment. Ik moet mij daar ook vooral niks van aantrekken, vindt ze, en gewoon aan het werk gaan, als ik dat wil. Wanneer ik dat wil. Zij gaat ’s middags, vandaag, zo blijkt, want om een uur of tien komt ze haar bed uit en leest in ochtendjas de krant, aan de half afgeruimde ontbijttafel. En dat we de koffie wel in de tuin kunnen drinken, met dat mooie weer. Om zo tegen enen toch maar eens in de auto te stappen.
Werk ze, zegt ze nog, voor ze het portier achter zich dichttrekt.
Jij ook, mompel ik, en zwaai. Terwijl ze de straat uitrijdt, zie ik aan de andere kant mijn zoon de straat weer indraaien, vrolijk slingerend op zijn fiets. Voor hem zit het erop voor vandaag.

vrijdag 9 maart 2012

Het blijft je kind

Het waren moeder en dochter, dat had de man meteen wel gezien, toen hij aanschoof in de vierzitter. Ze zaten tegenover elkaar aan het raam, de man nu naast de dochter. Een dagje samen de stad in geweest en nu weer terug naar huis, schatte hij zo in. Aan de moeder was goed te zien dat zíj dat in elk geval erg gezellig had gevonden. Met milde ogen bekeek ze haar dochter, nu het nog even kon, voor ze straks weer alleen naar eigen huis ging. Ze luisterde welwillend naar het verhaal dat ze afstak, haar grootgeworden kleine meid. Knikte af en toe, en humde en jade of neede en tuurlijkte zacht en bescheiden, dat de man het maar net kon horen. En ze zag natuurlijk heus wel dat haar dochter ondertussen voortdurend met haar telefoontje in de weer was, om tegelijk ook nog vijf what’s:app gesprekken tegelijk op gang te houden, ze deed nadrukkelijk alsof ze dat niet merkte. Ze bleef mild en welwillend knikken en kijken en hummen. Het bleef haar dochter, waarschijnlijk.
Het verhaal van de dochter was alles behalve mild en welwillend. Het was ook niet echt een verhaal, trouwens. Eerder een onafgebroken verongelijkte klaagzang, die ze met veel schel weetjewel de coupé in tetterde. Over haar vriendinnen die haar niet snel genoeg terug what’s:appten, of hun afspraken sowieso niet nakwamen, ook al zo vet irritant weet je wel, omdat ze ze toch al zo weinig zag; haar vader die niet genoeg kledinggeld betaalde, of niet op tijd, of iets anders niet goeds; over haar bijbaantje in de supermarkt, waar al die ouwe vrouwtjes dus nóóit op zondag hoefden te werken en zij dus élke zondag, vet oneerlijk weetjewel, en dat zij nu dus zoiets had van dat ze dus gewoon haar contract niet ging verlengen, omdat ze het dus echt vet gehad had weet je wel.
Haar moeder bracht nu dan toch maar voorzichtig naar voren dat ze dan immers zonder de extra inkomsten zat? En hoe ze dat dan dacht te gaan doen? Dat ze dan misschien beter eerst een ander baantje kon zoeken?
Maar dat vond haar dochter dus vette onzin, weet je wel, want haar vriendin, die redde het dus ook makkelijk zonder baantje, want die leende dus gewoon geld van haar ouders, zonder rente natuurlijk.
Haar moeder, die hier toch ook weer iets voorzichtigs over naar voren wilde brengen, kapte ze meteen af omdat ze dus helemáál geen zin had om dit soort gesprekken in de trein te voeren. Weet je wel.
Daar gaf haar moeder haar gelijk in. Daar had zij net zo min zin in.
En de man had het eerlijk gezegd ook wel een beetje gehad.

woensdag 7 maart 2012

Aan zijn lippen

Schuin tegenover hem in de trein, twee banken verderop aan de andere kant van het gangpad, was een meneer komen zitten. Een hele grote meneer. Niet dik, maar groot. Er was héél veel meneer. Omdat het zo druk was in de trein moest hij genoegen nemen met maar één van de vier stoelen, maar eigenlijk had hij de hele vierzitter nodig, met zulke benen, en zulke armen. Met zoveel om het lijf. Nu zat hij zo’n beetje ingeklapt en opgevouwen tussen de andere passagiers, en wat er niet meer bijpaste was half in het gangpad blijven steken.
Toen hij eenmaal zat, begon de meneer te bellen. Dat was verder niet zo bijzonder, de halve coupé zat te bellen, al deed de meneer het wel heel hard. Er kwam ook een heel groot geluid uit de meneer en hij was door de hele coupé zéér verstaanbaar. Maar goed, dat komt vaker voor, helaas, en ook inhoudelijk week het niet af van het gangbare ‘ik zit in de trein en ik ben er over tien minuten’ verhaal.
Nee, wat het een beetje vreemd maakte, en waardoor de man er ook de hele tijd naar moest blijven kijken, op het genante af, was dat de meneer bij ieder gesprek zeer nadrukkelijk zijn vrije hand als een enorme schelp voor zijn mond hield.
De man begreep het eerst niet. Was het omdat de meneer die hand, met die enorme arm er ook nog aan, verder nergens kwijt kon? Een gevolg van zijn gedwongen ongemakkelijke houding? Of wilde hij zijn telefoontje afschermen tegen het geluid uit de coupé? Om zijn verstaanbaarheid voor de andere kant van de lijn te verbeteren? Dat zou overdreven zijn, dacht de man, want de rest van de coupé hield beduusd de mond en de verstaanbaarheid was uitstekend.
Toen herinnerde hij zich plotseling dat hij deze belhouding wel eens op een krantenfoto had gezien. Politici, schenen zo te bellen. Nu hij het wist, kon hij het bijna niet geloven. Het was tegen liplezers. De meneer die ieder ander gesprek en de trein zelf overstemde, was bang voor liplezers.

maandag 5 maart 2012

Het naadje van de kous

Het bleef toch een moeilijk te doorgronden verschijnsel, die emancipatie. Voor een man dan. Vrouwen hadden er uiteraard geen moeite mee, want die hadden het uitgevonden, die wisten precies hoe het zat. Die kenden het naadje van de kous, zogezegd. De man daarentegen, stond nog regelmatig voor verrassingen. Zelfs bij zijn eigen vrouw. Terwijl ze de rollen nu toch al bijna vijftien jaar geleden definitief hadden omgedraaid. Tot beider tevredenheid, overigens.
Al die tijd was de man als volledig doorgeëmancipeerd huisvader de hele week thuisgebleven met de kinderen, hun poepluiers en de afwas. Had hij boodschappen gedaan, eten gekookt, de vloer aangeveegd, pleisters geplakt, boterhammetjes gesmeerd, appeltjes geschild, bedden verschoond, boekjes voorgelezen, naar zwemles heen en weer gefietst en naar school, ramen gelapt, de plee schoongemaakt.. gezorgd en gesloofd, kortom. Als een echte vrouw, bij wijze van spreken.
En al die tijd had zijn vrouw de gelegenheid gehad zich onbelemmerd op haar carrière te storten, wat ze dan ook vol enthousiasme had gedaan. Als een vent was ze door het glazen plafond gebroken, waar de man dan thuis vreselijk trots op zat te zijn, al moest hij tegenwoordig ook regelmatig maar weer afwachten of ze vandaag op tijd terug was voor het eten.
Ook op andere terreinen had ze haar mannelijke kanten tot volledige bloei kunnen laten komen. Als ze thuis kwam van een paar daagjes weg struikelde de man nog dagenlang over de slaapzak en de onuitgepakte weekendtas, die ze direct achter de deur in de gang had neergegooid. Als ze ziek was nam ze tegelijkertijd het bed, de bank en álle stoelen in beslag, met véél extra dekentjes en overal pannetjes en emmertjes voor je weet maar nooit en vooral ook veel klaaglijk zuchten en kreunen en steunen. Elke ochtend bracht de man de onderbroek waar ze die avond uitgestapt was naar de wasmand en als de kinderen in bed lagen, lag zij snurkend op de bank met de tv aan. Om maar eens een paar voorbeelden te noemen, zo in het wilde weg. De man klaagde er niet over, hij stelde het vast. Ook zijn vrouw, wilde hij maar onderstrepen, was volledig doorgeëmancipeerd.
Daarom was hij ook zo verbaasd dat zij hem, op toch ook nog licht verontwaardigde toon, vroeg wanneer hij eigenlijk van plan was háár fiets te repareren.
Dat ze dat toch makkelijk zelf kon, als geëmancipeerde, onafhankelijke vrouw, hielp hij haar dus voor de zekerheid herinneren. Dat híj dat immers niet voor haar hoefde doen.
En dat had ze ter harte genomen, want nu was haar fiets gerepareerd. Door de buurman. Die had ze, op ongetwijfeld geëmancipeerde wijze, wél zo ver gekregen.