donderdag 29 januari 2015

Even van mij




Speciaal voor de gelegenheid haal ik vandaag nog maar eens een versje uit de Poëzinema doos. Prettige gedichtendag allemaal!

maandag 26 januari 2015

Alien waiting for the mothership home




















Uit de serie: GeenKunst
Voor een uitgebreide rondwandeling door beeldentuin De Wereld, volg de gids

zaterdag 24 januari 2015

Verhalen met gouden randjes



Voor de zekerheid stelt hij zich eerst maar eens even netjes voor, want het kan natuurlijk best zo zijn dat er mensen in de zaal zitten die nog nooit van hem gehoord hebben: Leon Giesen, dames en heren. Schepper en bewoner van zijn eigen wereld, Mondo Leone, waar hij ons vervolgens, goedgemutst uitweidend, liedjes zingend en lekker gitaar spelend mee naar toe neemt op een wonderlijke reis.
Een verwonderlijke reis, eigenlijk, want dat is waar het allemaal om draait, volgens de reisleider. In elk geval is dat het vertrekpunt van wat we vanavond te zien en te horen krijgen: verwondering.
Leon Giesen ziet iets, er valt hem iets op, en daar wil hij dan meer van weten. Dan gaat hij nieuwsgierig op zoek naar het verhaal erachter. En vasthoudend ook want het eerste verhaal dat hem ontglipt, moet hij nog tegenkomen. Zegt hij zelf. Een aantal van die verhalen komen vanavond aan bod. Eerst een paar kortere, als opmaat voor het echte werk. Als kennismaking. Zodat we maar vast weten wat ons ongeveer te wachten staat.
Leon Giesen is documentaire-filmmaker.  En zijn bijzondere belangstelling gaat uit naar mensen die, zonder dat íemand ze er om vraagt, zonder eigen belang, dingen zonder aantoonbaar nut aan de wereld toevoegen, dingen waar de wereld ook niet per se op zit te wachten maar waar de wereld wel móóier van wordt. Dingen die gemist zouden worden wanneer ze er plotseling níet meer zouden zijn. Hij heeft daar zelfs een zelfverzonnen prijs voor in het leven geroepen, vertelt hij. Het Gouden Randje. Ooit won Giesen zelf een prijs, met één van zijn films, een gouden beeldje was dat, en dat liet hij er speciaal voor in plakjes zagen. Gouden Randjes. Die hij hoogstpersoonlijk uitreikt aan dát soort ongevraagde initiatieven, om te laten zien hoe bijzonder ze zijn. Een ode aan de verschilligheid. Want onverschilligheid is er al meer dan genoeg. Het levert mooie verhalen op bovendien.
Over de Utrechtse Kabouter, bijvoorbeeld. Een in Utrecht blijkbaar mythische graffiti-stripheld die overal opduikt in de stad, in zijn eentje of met tientallen tegelijk, op kale betonnen muren en in ongezellige fietstunneltjes, in allerlei vermommingen en poses, en waarvan niemand weet wie de schepper is. Maar waarvan Leon Giesen er wel eentje op de blinde muur van zijn achtertuintje wil. Smakelijk en niet zonder zelfspot doet hij verslag, met lichtbeelden en al, van zijn zoektocht. Die nog even spannend wordt ook, wanneer hij zijn huissleutel ergens achterlaat, op een afgesproken plek, voor de onbekende kunstenaar, met instructies en twee kratten bier, en zelf voor drie weken op vakantie gaat. Ongelovig gnuift de zaal. Wie dóet dat nou? wordt er bijna hoorbaar gedacht. Leon Giesen dus. Zo gaat dat, in Mondo Leone.
Of neem het romantisch verhaal van de treinliefhebber in Amerika, Deane Ellsworth, die bij toeval ontdekte dat er één locomotief rondreed, in dat immense land, waarvan de meertonige fluit, door een productiefout, een afwijkend akkoord blies. En dat dat het zogenaamde Gershwin-akkoord was, veel mooier nog dan het bedoelde A7 akkoord. Zodat nu, lang verhaal kort, álle locomotieven in Amerika het Gershwin akkoord blazen. Nou ja, bíjna alle. Het onbezoldigd werk van één man. Omdat dat móóier is. Alleen daarom.
Leon Giesen maakte er een filmpje over dat hij vanavond laat zien en waarbij hij de commentaarstem live inspreekt. Af en toe moet het filmpje even op stop, omdat er opeens veel meer te vertellen valt dan er in past. Of omdat hij even de verschillende akkoorden wil laten horen, op zijn gitaar. Waarmee hij de rest van het filmpje live van muziek voorziet, want Leon Giesen is ook muzikant.
In het langste verhaal van de avond treffen we de verteller zelf in de hoofdrol. Als schatgraver tegen wil en dank. Het begint allemaal met een artikel in de Volkskrant over een stuk bladmuziek met geheimzinnige aanwijzingen, die de plek zouden wijzen waar een grote hoeveelheid goud en diamanten begraven zou zijn. Nazigoud. De diamanten van Hitler. Een deskundige had zich zeven jaren over dit mysterie gebogen, maar was er niet uitgekomen. Dat was een man naar Giesens hart uiteraard, zeven jaar! Dus hij knipt het artikel uit. Zijn belangstelling is gewekt. Door een piepklein toeval - een snapshot, zonder erbij na te denken genomen - komt hij vervolgens op het idee de aanwijzingen in de bladmuziek  vanuit een andere invalshoek te benaderen. En denkt hij na enig nader onderzoek te weten wáár hij moet zoeken. En dan móet hij ook zoeken, van zichzelf. Het gaat hem dus niet om het goud, benadrukt hij maar even, want dat is besmet, dat wíl hij niet eens hebben. Het gaat hem om de theorie. En die klopt tot het tegendeel bewezen is, nietwaar. Dus moet er uiteindelijk gegraven worden. Want zo werkt dat nou eenmaal bij hem.
Geïllustreerd met filmpjes, foto’s, oude kaarten en archiefbeelden en gelardeerd met gezongen zijsporen komt het verhaal eruit. Een steeds ingewikkelder en veelomvattender wordend verhaal. Een spannend en bizar verhaal. Een komisch verhaal. Een wonderlijk verhaal. Vol vuur weet Leon Giesen ons ervan te overtuigen dat zijn theorie klopt. Al kan híj daar natuurlijk ook niks aan doen, lijkt hij er af en toe met een halfverlegen lach bij te willen zeggen.
Hij is een goed verteller, de zaal hangt aan zijn lippen en zelf gaat hij ook steeds meer op in zijn betoog. Het is leuk om, terwijl er een filmpje draait, ook even naar hem te kijken, hoe hij ondanks zichzelf zit te gniffelen en te glunderen, achter zijn rode gitaar.
Het is een bijzondere avond die we meemaken. Het is inspirerend om te weten dat er iemand als Leon Giesen is. Iemand die zo vol overgave zijn ingevingen volgt, zonder zich om de heersende opvattingen over nut of noodzaak te bekommeren. Iemand die, zonder dat iemand hem er om vraagt, de mooie kanten van de wereld voor ons optekent, al zijn ze nog zo klein. Omdat ze anders misschien onopgemerkt blijven. Kopje onder gaan in onverschilligheid. Eigenlijk verdient Leon Giesen zijn eigen Gouden Randje.

Doe jezelf een plezier en kijk eens rond op de site van Mondo Leone. Daar staat trouwens ook een speellijst.

woensdag 21 januari 2015

Protection




















Uit de serie: GeenKunst
Voor een uitgebreidere rondleiding, volg de gids

maandag 19 januari 2015

Vloeken in de kerk

Om niet meer te achterhalen redenen was de man in het tuincentrum. Hij was met zijn vrouw, dat zal de reden wel geweest zijn, want die vond dat leuk. De man was niet dol op tuincentra. Niet vanwege de tuinplanten overigens, of de tuinbenodigdheden. De kruiwagens, de schoffels en de spades, de harken en de rieken en de grote balen grond. Die kon hij goed hebben, maar die waren er eigenlijk nauwelijks.
Nee, zijn tegenzin zat hem meer in de verplichte, niet te vermijden wandelroute langs kilometers schap en uitstalling van lelijke en overbodige, nutteloze zooi die hij nooit van zijn leven zou willen hebben, waar hij zelfs helemaal niet naar wilde kijken en die in zijn onwillige ogen bovendien ook niets maar dan ook niets met tuinen of tuinieren te maken hadden.
Dezelfde ervaring had hij in de doe-het-zelf zaak trouwens. De bouwmarkt. Daar moest je je, voordat je iets rechttoe rechtaan doe-het-zelfs als bijvoorbeeld een hamer, een zaag of een eerlijk end hout tegenkwam, ook eerst een weg banen door grote hoeveelheden hoog opgetaste kant en klare instant truttigheid. Kussentjes, kleedjes, grote glimmende vazen. Op mdf geprint nepsloophout met nep-afgebladderde nepverf en quasi originele feelgood wijsheden. Witgeschilderde takken uit het bos. Raamdecoratie. Home en Love in computergefiguurzaagde letters. En bij de kassa kreeg je dan een hele stapel zegeltjes en stempeltjes en voordeelbonnetjes en kooppuntjes mee. En een tasje. Stápelgek werd de man daar wel eens van. Waar kon een man nog een mán zijn? Verdorie! In deze volledig uit de hand gelopen gezelligheidspsychose? Deze woekering van knus en warm en huiselijk? Als zelfs de bouwmarkt er verdomme uit zag als de Happinez?!
Maar goed. Hij was nu niet in de bouwmarkt, hij was in het tuincentrum, met zijn vrouw.
Ze hadden net honderden vierkante meters nepplanten en -bloemen achter de rug. Planten van zijde, struiken van plastic, bloemen van foam.
Het tuincentrum wilde zichzelf blijkbaar graag overbodig maken, mopperde de man binnensmonds. Een tuincentrum dat nepplanten verkocht, dat was toch net zo iets als een vegetarische slager? Of kunst bij de Ikea? Redeneerde de man er in het wilde weg op los. Vloeken in de kerk! Bedacht hij toen dat hij bedoelde. Vloeken in de kerk.
Inmiddels hadden ze de afdeling bereikt waar het laatste restantje levende planten was weggestopt. De winkeldochters, waar ze echt vanaf moesten. Want kijk maar, daar stond een verkoopster opgetogen haar best te doen op een nietsvermoedend bejaard echtpaar.
“Voelt u maar eens”, moedigde ze het echtpaar aan, bij een plant met grote witte bloemen. Een anthurium, dacht de man dat het was.
“Voelt u maar eens wat een stevige bloem”.
Met daarna de geruststellende uitsmijter: “Het is nét nep”.

vrijdag 16 januari 2015

Het peerd van ome Loeks




















Uit de serie: GeenKunst
Voor een uitgebreidere rondleiding, volg de gids

zondag 11 januari 2015

's Zondags gaat hij naar de kerk




















Uit de serie: GeenKunst
Voor een uitgebreide rondwandeling door de beeldentuin, volg de gids.

donderdag 8 januari 2015

Kip, ik heb je!

Kippen zijn te dom om te vliegen, dacht ik altijd. Misschien wist ik het wel zeker ook. Maar nu blijkt dat kippen óók te dom zijn om dat zélf te weten. Dat ze niet kunnen vliegen dus, want kijk: er zit er één op het dak van buurvrouw.
Buurvrouw roept het ook, vanachter de schutting: “Hé, er zit een kip op mijn dak”.
“Wil je je veren nog terug?”, roept ze ook nog. Er klinkt enig sarcasme in door, maar ach, het is buurvrouw. Die klinkt al snel zo. En misschien verbeeld ik het me maar.
Blijkbaar was de kip over de schutting gefladderd, de tuin van buurvrouw in, om eens te kijken wat daar te beleven viel allicht. En geef haar eens ongelijk, de wereld is groter dan steeds maar dezelfde achtertuin. Had aan gene zijde echter kennisgemaakt met de hond van buurvrouw, die al een tijdje op zo’n kans had zitten hopen, en in allerijl een goed heenkomen gezocht op het dichtstbijzijnde hoogste punt, het dak van buurvrouw. Met een hoop gekrakeel. Het gekrakeel waar buurvrouw en ik allebei op af waren gekomen, ieder aan onze eigen kant van de schutting.
Het is de kip van mijn oudste zoon. Die heeft kippen, sinds de zomer. Maar dat is een verhaal apart, daar hebben we nu geen tijd voor, want nu zit ie op het dak, die kip. Paniekerig om zich heen te kijken. Hoe kwam ze hier in hemelsnaam terecht? Zo hoog? En, erger nog, hoe kwam ze hier weer weg? Oh ja, vliegen natuurlijk! En hop, daar ging ze weer, de lucht in. De verkeerde kant op uiteraard, want zo gaat dat met kippen. Die beginnen gewoon te vliegen en dan zien ze achteraf wel waar het heengegaan is. Fladderend en kakelend verdwijnt het beest uit het zicht, ergens achter de bomen en de struiken, aan de andere kant van de sloot. Of misschien wel erin, wie zal het zeggen. In elk geval blijft het daarna onheilspellend stil. Op het verontwaardigd gepoekel na van de twee achterblijvers, die het er dus niet mee eens zijn.
“Heb je ze niet gekortwiekt?”, roept de stem van de buurvrouw een op dit moment nogal irritante vraag over de schutting, waar ik voor de lieve vrede en mijn eigen gemoedsrust maar niet op in ga.
Verdorie, dit komt me wel heel slecht uit. Ik sta net in mijn kluskleren een emmer muurverf open te trekken om de keuken opnieuw te schilderen. Overal liggen ouwe kranten uitgespreid, ik bruis van de positieve werklust, ik wil dit klusje vandaag afhebben.. kan ik nu opeens weer achter die kip aan zeker, de rest van de ochtend. In een tot de rand toe volgeregende boot, ook nog.
Ik besluit van niet.
Dat beest komt vanzelf wel terug als het honger krijgt, zo werkt dat immers bij huisdieren. De liefde gaat uitsluitend door de maag. Goed, het kost nog even wat moeite om die andere twee kippen voor de zekerheid toch maar in de ren op te sluiten, maar dan kan ik aan het werk.
Al besluit ik ook om mijn oudste zoon het gebeurde vast te sms’en, zodat hij zich kan voorbereiden.
En je zult het altijd zien, normaalgesproken kun je ze sms’en, bellen, appen of inspreken tot je beltegoed een ons weegt zonder dat je enig teken van leven hoeft te verwachten, nu ontwikkelt zich onmiddellijk een zeer levendige en vanwege al dat priegelige tikken nogal tijdrovende discussie over de vraag of hij nu maar niet beter metéén naar huis kan komen. Omdat hij toch alleen nog maar engels en economie heeft. Niet echt belangrijk dus.
En zo moeilijk als hij normaalgesproken tot het ondernemen van enige noodzakelijke actie is te porren, nu staat hij geheel op eigen initiatief toch echt binnen een kwartier op de stoep, met een verhitte kop van het harde fietsen, om in zijn pauze te doen wat een man moet doen. Heeft hij zelfs binnen vijf minuten de volgeregende boot gehoosd, een karweitje waar anders minstens drie weken zuchten en strijd aan voorafgaat, áls ik er al over dúrf te beginnen, en is hij voor ik het goed en wel in de gaten heb vertrokken, in de richting waarin ik zijn kip heb zien verdwijnen. Ik roep hem nog na dat hij een dekentje mee moet nemen, om eventueel over de kip heen te gooien, en hij roept ja, maar vaart gewoon door. Hij heeft geen tijd te verliezen.
Ik trouwens ook niet meer, bedenk ik dan maar, en trek mij terug op mijn oude kranten, en mijn keukentrap. Al kan ik het ook niet laten, uiteraard, daar ben je huisvader voor, om af en toe even de tuin in te lopen, om poolshoogte te nemen. Zeker naarmate de tijd dat hij weer op school moet zijn begint te naderen.
Nee, of ik het voorgenomen klusje ook inderdaad volgens plan vandaag af ga krijgen, is zeer de vraag. Mopper ik in mijzelf. Verdorie.
Maar net als ik voor de zoveelste keer het trapje afdaal en de kwast neerleg, een tikkeltje kribbig inmiddels, staat hij voor de deur: rood aangelopen, bezweet en met ontbloot bovenlijf, een buitengewoon laconieke kip zorgzaam in zijn t-shirt gewikkeld, fonkelende jongensogen en een opgeluchte jubelgrijns van oor tot oor. En die aanblik, dames en heren, is goud waard. Je zou er verdorie toch elke dag een kip voor over de schutting gooien.

dinsdag 6 januari 2015

The great escape




















Uit de serie: GeenKunst
De wereld een beeldentuin. Voor een uitgebreide rondleiding, volg de gids.

maandag 5 januari 2015

De vierkantigste rechthoek



Als je zó je geld kunt verdienen, dan heb je het toch móói voor elkaar. Het is een weinig originele één-regel-recensie die we toevallig opvangen van twee teleurgestelde medebezoekers, wanneer we halverwege ‘De vierkantigste rechthoek’ in Amersfoort zijn, een tentoonstelling van honderd jaar Belgische kunst, voor de gelegenheid samengesteld door gastcurator Tom Barman. Een gesproken tweet is het, als het ware. Vuige borreltafelpraat natuurlijk, van ongeletterde Tokkies die er gemakshalve nog altijd vanuit gaan dat iedere kunstenaar gratis schathemeltjerijk gesubsidieerd wordt, door de linkse elite. Stemmingmakerij, waar wij het ook absoluut mee oneens zijn. Zeker. Maar tjongejonge, we worden wel op de proef gesteld, in de KunstKade. Sorry dat we het zeggen.
We lopen net de grootste zaal van de tentoonstelling binnen en wanen ons in de Dirk Jan cartoon uit de scheurkalender thuis, waarin twee aliens ontheemd door een aards museum dwalen, verbaasd kennis nemen van de tentoongestelde moderne kunst, met hun bolle ogen op steeltjes, en vervolgens op hoge poten bij de suppoost verhaal komen halen omdat ze er, zoals ze verontwaardigd naar voren brengen, geen fuck van begrijpen. Dat zouden wij eigenlijk ook wel willen doen, en tegen de muur zit nog een suppoost ook, maar die ziet er zó ongelukkig uit dat we ons niet kunnen voorstellen dat hij ons zal kunnen begeesteren.
We zijn van de ingang af aan op onszelf aangewezen trouwens, want daar kondigt de gastcurator in een kort schrijven op de wand al aan dat hij géén volledig of chronologisch of anderszins verklarend overzicht geeft, van honderd jaar Belgische kunst. Hij omschrijft Belgische kunst vervolgens kernachtig maar vaag als typisch atypisch, mompelt nog wat over humor en tegendraads en stuurt ons op weg met een modieus vrijblijvend: enjoy!
Zoek het zelf maar uit, dus.
Tja.
Wat is dan eigenlijk de toegevoegde waarde van Tom Barman als gastcurator, vragen wij ons af. Als hij verder niets over zijn tentoonstelling heeft te melden dan dat. Dan is het dus ook niet meer dan een tamelijk willekeurige verzameling kunstwerken die Tom Barman blijkbaar mooi of interessant  vindt, al komen wij niet te weten waarom, en waar hij toevallig de hand op heeft weten te leggen. Valt er achteraf dus ook niet veel meer te concluderen dan dat de smaak van Tom Barman een heel andere is dan de onze.
Een goor matras dat van het plafond naar beneden hangt, boven een nachtkastje met een drinkglas erop, waarin het blijkbaar leegloopt.. waarom moeten wij daar precies naar kijken?
TL buizen, in een keurige, lange rij op de grond, die in het midden zorgvuldig kapotgestampt zijn. Ja.. gut.. het zal wel.
Een onbehouwen, plompe, zeshoekige lichtbak met tl buizen, die een onaangenaam licht staat te verspreiden.. waarom hebben ze die niet meteen even meegenomen? vragen wij ons af.
Een berg herfstbladeren, zo uit de vuilniszak op een hoop in de hoek van de gang geplempt, met de titel Invaders.. kom op zeg! Als die bladeren zich nou nog willekeurig door alle zalen hadden verspreid, had het misschien nog íets van verwondering opgeroepen. Nu is het wel héél dun en gemakzuchtig.
En een slecht belichte, donkergrijze foto van een nietszeggend uitzicht uit een nietszeggend raam kun je natuurlijk tot enorme proporties opblazen, maar dan wordt het gewoon alleen maar een heel gróte mislukte foto. Van een heel gróte nietszeggendheid. Waarom, in hemelsnaam, hangt dat hier?
Misschien ligt het aan onze bui hoor, dat zou kunnen, maar dat is dus de vraag die wij ons bij de meeste tentoongestelde werken stellen: waarom? We houden van kunst, we zijn van goede wil, maar we komen er niet achter.
Goed, er zijn ook een paar uitzonderingen. De op maat gemaakte en perfect uitgevoerde, glimmend zwarte en roodgevoerde  transportkoffer voor een brommer, ja, daar zien we de humor wel van in.
Een klein schilderij van twee wachtende mannen, in een lelijke straat met de rolluiken neer.. een hedendaags alledaags tafereel, mooi en trefzeker geschilderd, modern klassiek.
Een naïef schilderij uit 1934, van een dorpsgezicht met huizen, bomen, tuintjes en een wolkenlucht.. charmant en eigen. Tijdloos.
Maar uiteindelijk blijkt het eerste werk van de tentoonstelling, de vier met het plakband achtergebleven hoekjes van een van de wand gerukte poster, erg veelzeggend: het meeste kan van de muur. Wat ons betreft. Laat Tom Barman het maar in zijn eigen kamer hangen, als hij het zo mooi vindt. Dan zetten wij wel een cd-tje van dEUS op.

De tentoonstelling ‘De vierkantigste rechthoek’, honderd jaar Belgische kunst volgens Tom Barman, was tot en met 4 januari 2015 te zien in de KunstKade in Amersfoort. Maar dat u er nu te laat voor bent, is dus niet echt een groot gemis.

zaterdag 3 januari 2015

Een boom met een bierbuik



Je wilt wel eens wat weten, van de natuur, met al dat gewandel. Je komt wel eens iets tegen, je ziet wel eens iets waarvan je je afvraagt wat het eigenlijk is. Of hoe dat nou zo komt. En waarom.
Zo’n vreemde uitstulping aan een boom, bijvoorbeeld. Zo’n raar geribbelde bierbuik. Wat zou dat nou zijn? En hoe kom je daar achter, met alleen maar een foto?
Eens kijken.. ja.. wat voor boom is het eigenlijk? Daar begint het al, de grote onwetendheid. Aan de schors te zien, de boom is kaal in deze tijd van het jaar, is het gewoon een eik. Een zomereik, om precies te zijn, volgens het geraadpleegde boekje.
Een speurtocht op internet leert ons vervolgens dat het leven van een boom in elk geval óók niet als vanzelfsprekend over rozen gaat, want er zijn nogal wat nare ziektes met enge, woekerende gezwellen als gevolg. Essenroos bijvoorbeeld. Dat lijkt er wel wat op, maar dat is het natuurlijk niet, want, de naam zegt het al, dat komt alleen bij essen voor. Net als de bastwoekerziekte. En een heksenbezem, ook een soort woekering, beperkt zich tot berken, wisten we zelf zonder internet ook al te vertellen. Boomkanker, schijnt ook te bestaan, maar dat ziet er nog weer anders uit.
Goed, uiteindelijk komen we er dus niet precies achter, en moeten we het maar eens vragen aan iemand die er verstand van heeft.
Wat we wel te weten zijn gekomen, is dat in de bast van een boom zogenoemde verborgen knoppen zitten. Geheime knoppen, die je niet kunt zien, en die de boom achter de hand houdt voor noodgevallen. Om na bijvoorbeeld een blikseminslag, of een noodlottige storm, opnieuw mee te beginnen. Helemaal van voren af aan. En dat daar wel eens een beestje, of een schimmel, of een ander soort naarling naar binnen kan kruipen, om ongevraagd en gratis mee te eten van de sapstroom, die naar zo´n verborgen knop gaat. Dat kan dan gaan irriteren, of ontsteken of zoiets, en daardoor gaat de bast woekeren.
En dat zou bij deze eik ook wel eens aan de hand kunnen zijn. Dus ja, dat is niet zo mooi.
Al ziet het er best mooi uit, eigenlijk.

dinsdag 30 december 2014

Kijk, hoe móói dit is



Nu zijn ze er niet meer van gediend uiteraard, maar toen mijn jongens nog klein waren, een oogwenk geleden, las ik ze graag en vaak voor, zoals dat een goed huisvader betaamt. Ikzelf hield daarbij erg van de verhalen van Max Velthuijs, die waren tenminste niet zo afgezaagd zoetsappig als veel andere kinderboeken. Krokodil en het meesterwerk, bijvoorbeeld. Hierin krijgt Krokodil, die kunstschilder is, bezoek van Olifant, die een schilderij bij hem wil kopen. Voor aan de muur. Krokodil laat hem van alles zien - landschappen, stillevens, stadsgezichten, zeegezichten, zonsondergangen - maar Olifant kan niet kiezen. Hij vindt alles even mooi. Krokodil bedenkt dan een oplossing en belooft speciaal voor Olifant een héél bijzonder schilderij te maken, zodat hij niet hoeft te kiezen. Wanneer Olifant later terugkomt om het eindresultaat te bekijken, toont Krokodil hem trots een wit schilderij. Helemaal wit is het, van rand tot rand. Olifant reageert teleurgesteld. Er staat niks op, zegt hij. Maar Krokodil legt hem vol vuur uit dat dat niet waar is. Dat juist álles erop staat. Omdat het schilderij helemaal wit is, kan Olifant er alles in zien wat hij maar wil. En elke dag iets anders. Zo had Olifant het nog niet bekeken, en tevreden gaat hij naar huis met zijn witte schilderij, het meesterwerk waar alles op staat.
Dit meesterwerk, daarom begin ik er over, hangt nu in het Stedelijk Museum van Schiedam, en Krokodil blijkt herman de vries te heten, met op verzoek alleen maar kleine letters. En omdat ik de tentoonstelling ‘herman de vries.all’ samen met mijn jongste zoon bezoek, vijftien inmiddels, heb ik vanmiddag de gelegenheid hem dit verhaal na al die jaren toch nog eens te vertellen. Een kans die ik niet laat liggen. Grappig is dat herman de vries daarna, in één van de videofilmpjes die de tentoonstelling begeleiden, ongeveer hetzelfde over zijn witte schilderij zegt als Krokodil over het zijne. Je gaat vanzelf denken dat Max Velthuijs het werk van herman de vries kende, en waardeerde.
Ik kende het niet, ik had eerlijk gezegd zelfs nog nooit van herman de vries gehoord, maar halverwege zaal twee ga ik hem al waarderen. Dat komt niet in de laatste plaats door de manier waarop hij, in de videofilmpjes, over zijn werk praat. Daar zit een vriendelijke oude man, met een enorme witte baard, luchtigjes te vertellen over wat hij zoal gemaakt en gedaan heeft, en hoezo. Waarbij hij vooral ook zit uit te stralen dat hij daar zélf in elk geval erg veel plezier aan beleeft en dat wij maar moeten kijken wat we ervan vinden. Daar komt verder geen ondoorgrondelijke en zwaarwichtige kunstenaarsblabla aan te pas. i’m not sure. are you? staat op één van zijn schetsvellen te lezen, en dat vind ik wel een prettig en verfrissend motto.
Het werk dat herman de vries toont is betekenisloos, zegt hij zelf. Als kunstenaar probeert hij geen betekenis toe te voegen aan dingen die er al zijn zoals ze zijn. Het uitgangspunt van de Nul-beweging uit de jaren zestig, dat de vries altijd is trouw gebleven en is gaan combineren met zijn achtergrond als plantkundige.
Een groot deel van de tentoonstelling bestaat uit ingelijste of op sokkels gepresenteerde vondsten uit de natuur. Herfstbladeren, stenen, takjes en twijgjes, gedroogde planten, slakkenhuizen, schelpen.. wat je zelf ook zoal opraapt en meeneemt, kortom, van een wandeling door het bos, of van vakantie. Alleen, bij jou eindigt het roemloos in een vergeten hoekje en uiteindelijk de vuilniszak. de vries lijst het in en toont het de wereld. Kijk, zegt hij, kijk, hoe móói dit is.
En hij heeft gelijk. Dwalend door de zalen worden we telkens opnieuw verrast door de schoonheid van de eenvoudigste dingen. Wilgenblaadjes, bijvoorbeeld. Kan het gewoner? Ingelijst op een witte achtergrond, in een strak stramien van twaalf rijen en zestig kolommen boven en naast elkaar, zie je dat ze weliswaar allemaal hetzelfde zijn, maar tegelijk allemaal anders. Groter, kleiner, krom, recht, smal, minder smal, lichter of donkerder van kleur - ieder voor zich proberen ze aan het stramien te ontsnappen en vormen zo tezamen een betoverend ritme, waarvan je je afvraagt hoe het klinken zou als het muziek was.
Verderop gebeurt hetzelfde met bladeren van de esdoorn, die een verre associatie oproepen met de uitgeknipte bladeren van Matisse. Want dat is het gekke, de vries wil dan wel geen betekenis in zijn werk leggen, daar hebben je ogen niks mee te maken. Die gaan daar gewoon toch naar op zoek. Hoog in het trapgat hangt een verzameling ingelijste takjes, zwart en grillig afstekend tegen hun witte achtergrond en het is bijna niet mogelijk niet aan glas in lood te denken en aldus op zoek te gaan naar één of andere bijbelse voorstelling. Op de kop van een gang hangen een aantal dikke en doornige rozenstokken in een vierkant bijeen, precies even lang en vrij dicht naast elkaar. De ruimte ertussenin kleurt heel voorzichtig rood en de schaduwen die eronder recht naar beneden weglopen in het wit, doen automatisch aan bloed denken, dat naar beneden druipt. Over religieuze ervaringen gesproken.
Jazeker, aan Mark Rothko heb ik ook nog gedacht, in het Schiedams museum. In een zaal die was ingericht met zogenoemde aarduitwrijvingen. Grote rechthoekige kleurvlakken, ontstaan door, de naam zegt het al, het uitwrijven van verschillende soorten aarde. In verrassend heldere kleuren rood, oranje en geel. Kleurvlakken die, net als bij Rothko, niets anders willen zijn dan kleur. herman de vries voegt daar een dimensie aan toe door de vloer te bedekken met een dikke laag rozenknoppen, een extra kleurvlak, dat de zaal bovendien vult met een zoete en optimistische geur, waardoor de spirituele ervaring een veel lichtere wordt dan bij Rothko. Letterlijk lichter ook, doordat de zon juist nu, voor het eerst in dagen, door het raam naar binnen valt, in een lange, hoopgevende baan. Alleen in de zaal, dat ook nog, laat ik mij in alle rust bedwelmen, terwijl mijn zoon ondertussen, dat zie ik heus wel, zijn haar even checkt, in de spiegelende lijsten.

De tentoonstelling herman de vries.all is nog tot 18 januari 2015 te zien in het Stedelijk Museum Schiedam.

zondag 28 december 2014

Zij toonden zich onverzettelijk




















Uit de serie: GeenKunst
De wereld een beeldentuin. Voor een rondleiding, volg de gids.

vrijdag 26 december 2014

Het publiek in Amsterdam

In de stoel rechts naast mij in het theater zat een mevrouw onbedaarlijk te lachen. Telkens weer. Gierend boog ze voorover, zó leuk vond ze het. Oh God! kreunde ze er soms, naar adem happend, nog tussendoor. Het had bijna iets orgastisch, zo nu en dan. En het wás ook leuk. De voorstelling, bedoel ik. Zeker. Ik vond het ook leuk. Ik moest ook lachen. Alleen niet zo hard. Eigenlijk moest niemand in de zaal zó hard lachen als de mevrouw in de stoel rechts naast mij. Misschien was het daar de voorstelling ook niet naar. Ik dacht eerlijk gezegd van niet, geloof ik. Al was de mevrouw het daar vast niet mee eens, want na afloop wendde ze zich in vertrouwen tot mij met de verbaasde vaststelling dat er vanavond nou niet bepaald uitbundig was gelachen. Tja. Ik dacht daar dus het mijne van, maar wilde haar dat nou ook weer niet meteen zo betweterig onder de neus wrijven en stelde haar dan maar gerust met de gedachte dat mensen natuurlijk ook plezier kunnen hebben zónder heel hard te lachen. En dat het in elk geval niet aan háár had gelegen.
Het publiek in Amsterdam, verzekerde ze mij toen op besliste toon, was toch echt héél anders.
Gut, dacht ik, wat een merkwaardige mededeling. Wat wilde de mevrouw hier nou eigenlijk precies mee zeggen? vroeg ik mij af. Zou ze misschien een studie maken van de verschillende soorten publiek in Nederland? Reisde ze alle theaters af, op zoek naar overeenkomsten en verschillen tussen het publiek in Meppel, Zwolle, Leersum en Middelburg? En had ze nu net Amsterdam en Alkmaar gehad? Waardoor ze nu deze tussentijdse conclusie vast kon trekken? Waarschijnlijk niet. Hoogstwaarschijnlijk bestond er alleen Amsterdams publiek en niet-Amsterdams publiek. En het publiek in Amsterdam, zoveel was duidelijk, was het betere publiek. De mevrouw wilde laten doorschemeren dat ze nu weliswaar in een provinciaals theatertje in Alkmaar zat, maar dat ze het beter gewend was. Dat ze toch heus iemand van de wereld was! Dat ze namelijk regelmatig in Amsterdam kwam. Dat ze het Amsterdams publiek op haar duimpje kende. Dat zij zelf eigenlijk ook Amsterdams publiek was. Het betere publiek, dus. In tegenstelling tot de rest van de zaal.
Mij restte niets anders dan het hoofd buigen, in deemoedige schaamte.
Sorry, voor ons.

woensdag 24 december 2014

Dag vlieg



Veel heeft René van t Hof niet nodig, om je aan het grinniken te krijgen. Ik herinner me een voorstelling van Carver waarin hij in een grote kartonnen doos zat opgesloten, zodat je hem niet eens zag, maar aan het bewegen van de doos wíst je dat híj het was die erin zat, en het bewegen van de doos was al voldoende. De grinnik kleeft hem aan.
Nu ook weer, direct bij het openingsbeeld van ‘Dag vlieg’. Hij zit daar alleen maar, bewegingloos op de rand van het bed, er is nog niks gebeurd of gedaan, en het is al leuk. Goed, hij zit daar in wit en ouderwets ondergoed, de grote schoenen en sokken al aan, geplakt haar, een zware bril op de neus.. dat zet een zekere toon. De makkelijke lach, zo u wilt. Maar toch, het is meer dan dat. Er zit een randje aan. En dat zal dan ook met verwachtingen te maken hebben, want je weet wel ongeveer wat je krijgt, bij René van t Hof. Het zijn de wat triestige, eenzame mannen, die hij neerzet. Onhandig, onbeholpen, omslachtig. Sneu. Slachtoffers, maar waarvan?
De oude man in deze voorstelling probeert zijn dag op gang te krijgen, maar de eenvoudigste en meest alledaagse dingen kosten hem de grootste moeite. Zich aankleden, een glas water drinken, wat rommel opruimen, de jacht op een lastige vlieg.. het leidt allemaal tot onnavolgbare balletten waarin alles tegenzit en niets normaal lijkt te kunnen gaan, en waarin een verbeten strijd met de dingen wordt gevoerd. Het oude lijf - trillend, gebogen en moeilijk bewegend - werkt ook bepaald niet mee.
Het levert aanvankelijk een aaneenschakeling van tragikomische momenten op. Niet eens zozeer om wát er gebeurt, dat zou je af en toe zelfs nog voorspelbaar kunnen noemen, maar vooral om hóe dat gebeurt. Ieder gebaar, de kleinste beweging, de minste grimas is perfect getimed en ontzettend subtiel veelzeggend. Kansloos ben je, als toeschouwer. En wat René van t Hof met dat schijnbaar wat lullige lijf van hem allemaal kan, is werkelijk ongelooflijk. Wanneer hij bijvoorbeeld zijn broek probeert aan te trekken, met die grote, lompe schoenen al aan, ontaardt dat in een adembenemende glijpartij waarin de oude man, met als enig houvast de tafel, als een hovercraft los lijkt te komen van de zwaartekracht. Zonder dat hij daar zelf nog invloed op uit lijkt te kunnen oefenen, gaat zijn onderstel de meest onmogelijke kanten op. Een staaltje beheersing waar je met open mond naar zit te kijken.
Gaandeweg sluipt er echter iets ongemakkelijks in de grinnik, wanneer het langzaam tot je doordringt dat er in ieder bejaardenhuis waarschijnlijk, of misschien wel bij jou in de straat, mannen als deze wonen. Alleen, in hun kamertjes. Onbeholpen worstelend met de eenzaamheid, de ouderdom en het ongemak. Met het naakte bestaan. Aan wie het volle leven zich ook alleen nog aandient in de vorm van geluiden van buitenaf, net als in deze voorstelling. De radio. Spelende kinderen op straat. Een heimachine verderop.
Grinniken blijf je, weerloos als je bent. Zelfs wanneer de oude man onhandig staat te wankelen, op een stoel op het matras, moedeloos staat te stoethaspelen met een touw, en zelfs dát nog tegenzit. Maar onbekommerd grinniken is het niet. Het schuurt een beetje. Je kreunt erbij. Er zit een randje aan.

Er is een speellijst, voor Dag vlieg, van René van t Hof, maar die is nog maar erg kort: twee data in januari. U moet er wel voor naar Amsterdam,  maar ik zou het er voor over hebben.


Antonius preekt tot de vissen




















Uit de serie: GeenKunst
De wereld een beeldentuin. Voor een uitgebreide excursie, volg de gids.

maandag 22 december 2014

Een under cover operatie



Wandelend langs ’s Heeren wegen kom je soms dingen tegen waarvan je natuurlijk heus wel weet dat het zo niet bedoeld is, maar waar je, met een beetje fantasie, best een kunstwerk in kunt zien. Makkelijk zelfs. Kunst en werkelijkheid liggen namelijk vaak behoorlijk dicht naast elkaar. We hadden het daar al eerder over, in de serie GeenKunst. In de Hollandse duinen bij Wassenaar tref ik een tafereel dat heel goed voor LandArt door zou kunnen gaan.
Met grote, rechthoekige, modderbruine zeildoeken is in de berm een flink stuk grond afgedekt. Toegedekt. Aan het zicht onttrokken. De zeildoeken liggen enigszins tegen een flauwe helling op, en de bovenrand ervan is hier en daar wat in de grond weggewerkt, waardoor het zeil uit de grond zelf lijkt voort te komen en zich langzaam maar zeker een weg naar beneden lijkt te zoeken, als een plastic lavastroom. In de hoek waar de twee niet even grote zeilen elkaar ontmoeten, staat een grijs, weerbarstig boompje. Het lijkt de neerstromende zeilmassa te splitsen en zo vooralsnog weerstand te bieden aan de uiteindelijk zekere overmeestering van het landschap.
De kunstenaar wil met zijn werk misschien een waarschuwing geven voor de immer groeiende stroom plastic afval die onze leefwereld overspoelt en waartegen de natuur zich de laatste decennia heeft te verzetten. Een strijd waarvan de sombere afloop zich in dit kunstwerk al laat raden: het schrale boompje zal uiteindelijk machteloos blijken tegen het plastic geweld, en geen stand houden. Als wij mensen deze zelfgecreëerde natuurramp niet een halt toeroepen, lijkt de kunstenaar te willen zeggen, zullen wij er tenslotte ook het slachtoffer van worden. Omdat de natuur het in haar eentje niet zal redden.
De werkelijkheid blijkt echter een soort van andersom. De natuur redt het prima zonder ons. Iets té goed zelfs, wellicht. De zeilen, zo verklaart een aanpalend bord, zijn hier neergelegd in een poging de Zwarte Engbloem te stuiten in haar overwoekering van het duingebied. We hebben te maken met een zogenoemde agressieve exoot. Een soort die hier van oorsprong niet voorkomt, maar, nu hij er eenmaal is, sommige originele soorten verdringt en overwoekert.
De Zwarte Engbloem, die nog behoorlijk giftig is ook, heeft zich hier waarschijnlijk gevestigd doordat haar zaad bestanddeel was van fazantenvoer. Wie dat fazantenvoer heeft rondgestrooid en met welke reden, laat zich misschien wel raden. Denk er anders maar even over na. In elk geval hebben de fazanten niet de tijd gekregen het allemaal op te eten want de Zwarte Engbloem gedijt dus uitstekend.
Om haar nu weer uit te roeien wordt er al een paar jaar drastisch gemaaid, zo vertelt het bord, maar dat blijkt onvoldoende. De plant verspreidt zich niet alleen met haar zaad, maar ook met een ondergronds systeem van wortelstokken. De zeilen zijn een nieuw experiment. Door de plant, met haar wortelstokken en al, op deze manier geheel af te sluiten van lucht en licht hoopt men haar voorgoed kwijt te raken.
Het idee voor deze methode, vermeldt het bord ook nog, ontstond tijdens het kamperen. Bij de bekende aanblik van de achtergebleven modderige rechthoek, waar eerder de tent een vrolijke week had gestaan, en waar nu zelfs het gras niet meer leefde.
Bij mij zorgt dit voor een glimlach. Ik zie een boswachter voor me die zijn tentje opvouwt, een eureka-moment heeft en dan eigenlijk geen zin meer heeft in de rest van de vakantie omdat hij nu eindelijk weet hoe hij de Zwarte Engbloem te lijf kan gaan.

vrijdag 19 december 2014

In de rij voor Rothko



Je moet er al wéken voor in de rij staan, voor de schilderijen van Mark Rothko. Vandaag valt het nog mee, met een rij van hooguit tien minuten, maar bij eerdere, andere uitstapjes naar mijn geboortestad Den Haag zag ik rijen waarvoor de markante, lange glazen toegangscorridor van het Haags Gemeentemuseum bij lange na niet lang genoeg was. Als je niet beter wist zou je nog tot de conclusie komen dat we in een zéér beschaafd en kunstminnend land wonen. Het is geen Anton Pieck tenslotte, Mark Rothko. Of Herman Brood. Moeilijke kunst, is het. 
Gelukkig wordt er ook op zijn Hollands gemopperd. Op de rij en het tempo waarin die beweegt. Maar, eerlijk is eerlijk, ik mopper even mee, het ís ook onbegrijpelijk dat het Gemeentemuseum, zeker na al die weken drukte, nog altijd minutenlang zit te schutteren met zoiets alledaags als een pinbetaling. Of een museumjaarkaart. Met alles dus eigenlijk.
Het is evengoed niet bepaald wat Rothko zelf in gedachten had, deze drukte. Zíjn idee was het dat de toeschouwer bij voorkeur alleen zou zijn met zijn werk, om zo, in alle stilte en afzondering, tot een religieuze ervaring te komen. Dezelfde religieuze ervaring die hij zelf had bij het schilderen van het doek. Weliswaar staat er bij de ingang van de tentoonstelling een bord waarop de bezoeker gevraagd wordt zoveel mogelijk stilte te betrachten, in verband met dit idee, maar dat het lastig wordt is meteen duidelijk. Het wemelt in elke zaal van de kunstliefhebbers. Ieder schilderij moet gedeeld worden met een beweeglijke wolk van andere kijkers en hoe je je ook opstelt, er schuift altijd wel een lid van de culturele elite je blikveld in. Zonder boe of ba gaan ze pal voor je neus staan om het wonder te aanschouwen. Soms loopt er eens iemand tot vlak voor het schilderij, om een detail te bestuderen, zonder acht te slaan op degene die op enige afstand het geheel juist probeert op te nemen.
Mannen met artistieke, corduroy jasjes en grijze manen, streng en nadrukkelijk bebrild, doorgronden het werk met vorsende blik. Grijze dames met brillen aan kettinkjes, dure kleding en dito kapsels ondergaan het met deftige oogopslag. Fluisterend wijst men elkaar op bijzonderheden, zucht zachtjes van ooh en aah. Gelachen wordt er niet, het is een serieuze zaak. Terwijl ik het toch ook wel iets lachwekkends vind hebben. Ja, sorry. Al die ernstige gezichten die lang en interessant en nadrukkelijk naar een groot zwart vierkant op een zo goed als zwarte achtergrond staan te kijken. En daarna naar het volgende, weer net iets anders. Flauw, van mij, om er zo naar te kijken natuurlijk. En ik ben me er zeer van bewust dat ik nauwelijks afwijk van de plaatselijke grootste gemene deler, met mijn lange grijze haren en mijn geitenwollen vest. Mijn zwarte bril en vorsende blik. Bovendien, ik vind het mooi. Het doet me meer dan ik had verwacht. Het vroege werk, ach ja, dat kan me gerust gestolen worden. Hooguit interessant om te zien dat Rothko, figuratief gesproken, eigenlijk niet zo héél erg goed kan schilderen. Misschien dat hij daarom is uitgekomen op die grote abstracte doeken met steeds weer dezelfde rommelige rechthoeken in telkens verschillende stapelingen. En ook dat is weer flauw. Want het fascineert dus wel. Omfloerste kleurvlakken zingen zich langzaam los van hun achtergrond, naderen elkaar, blijken langzamerhand uit meer kleuren te bestaan dan je eerder zag en of je nu wilt of niet, je wordt er door betoverd. Ik wel. Dus dat zal dan toch een religieuze ervaring zijn, wellicht.


De tentoonstelling Mark Rothko is nog te zien tot en met 1 maart 2015, in het Haags Gemeentemuseum.

donderdag 18 december 2014

Waiting for a miracle




















Uit de serie: GeenKunst
De wereld een beeldentuin. Voor een uitgebreidere rondleiding, volg de gids.

maandag 15 december 2014

Op de tast

Er waren wel wat dingen waaraan de man vrij duidelijk merkte dat hij geen twintig meer was. Geen veertig meer ook trouwens. Neuh. Hij hoefde om te beginnen bijvoorbeeld alleen maar eens naar zijn jongens te kijken. Tjongejonge. Als de alwetende held en de beste van de wereld beschouwden ze hem allang niet meer natuurlijk, maar zo af en toe leken ze hem nog maar nauwelijks serieus te nemen.
“Já hoor pap, túúrlijk!”, met zo’n zware bromstem vol spot.
“Já hoor, kleine páppaatje”.
Want al was het pas een centimeter, ze waren hem inderdaad nog boven het hoofd gegroeid ook. Die grens was óók al gepasseerd. Daar kwam hij óók niet meer onderuit. Of bovenuit, net hoe je het wilde zien.
En als hij nog wel eens een zoen kreeg, voelde hij duidelijk baardhaar prikken.
Hij merkte het ook aan zijn dochter, die een vijfkamerwoning had gekocht, met haar vriend. Een ééngezinswoning. Vijf kamers! Eén ervan heette nu nog de extra kamer, maar de man vroeg zich af hoe lang nog.
Zijn jongste zoon was trouwens ook al met een vriendinnetje aan komen zetten. Nostalgische blikken op kinderfoto’s en weemoed om de dingen die voorbij gaan. Dus.
Maar bovenal merkte hij het toch aan zichzelf. Het lichamelijk ongemak. Ach man! Nee, dat viel beslist niet altijd mee. Het eeuwig gehaspel en gehannes met twéé brillen alleen al. Daar zou hij wel nooit aan wennen. Altijd had hij de verkeerde  op en zag hij wat hij wilde zien maar zo’n beetje op de gok. Stond hij zijn klusjes half op de tast te doen. Kletterden van bijziende onhandigheid de schroefjes en de boutjes  naar beneden, op de grond, de trap af, en zat hij minutenlang op zijn pijnlijke knieën, met zijn stramme lijf, om dat allemaal maar weer eens terug te vinden, op bejaard gevoel.
Vroeger hóórde hij nog wel eens waar iets ongeveer terecht kwam, als het viel, maar zijn gehoor werd er ook niet beter op, sinds hij geen vijftig meer was. In luidruchtig door elkaar heen orerend gezelschap bestond zijn conversatie inmiddels voor misschien wel zestig procent uit zinnen als: “Sorry, ik versta je niet”, “Zeg het nog eens?” en “Wat zei je nou?”. Of anders maar een wilde gok of schaapachtig lachen, in de hoop dat de vraag daarmee afdoende was beantwoord. Als het een vraag was.
En dan dat stramme lijf, dat zich steeds voorzichtiger ging bewegen, onzekerder, waarbij hij ook steeds vaker ergens tegenaan botste, iets omver stootte of ergens over struikelde. Wat dat betreft voelde hij zich helemaal ál meer een bejaarde. Of had hij dat al genoemd? Zijn geheugen had er ook duidelijk wat meer moeite mee, de laatste tijd. Stond hij weer bovenaan de trap te bedenken wat hij boven nou ook weer te zoeken had.
En het ergste van allemaal, zijn eigen chagrijn hierover, dat hem bij tijd en wijle vanuit een hoekje besprong, en hem dan maar niet meer met rust wilde laten.